ECLI:NL:CRVB:2008:BD9580
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geschiktheid voor WAO-functies bij beoordeling Ziektewetuitkering
Appellant, voormalig medewerker reinigingsdienst, ontving een Ziektewetuitkering na ziekmelding in oktober 2005. Na onderzoek door verzekeringsartsen en bezwaarverzekeringsartsen werd geconcludeerd dat appellant geschikt is voor de functies die bij de WAO-herbeoordeling in 2004 voor hem waren geselecteerd, waaronder haringinlegger en sorteerder aardappelen.
Appellant stelde in hoger beroep dat klachten aan handen, voeten en flauwvallen werk onmogelijk maken. De Raad overwoog dat de medische onderzoeken geen aanwijzingen bevatten voor zodanige beperkingen. De handfunctie was niet wezenlijk verminderd en de klachten aan de pink en flauwvallen waren onvoldoende onderbouwd met medische gegevens.
De Raad bevestigde dat onder “zijn arbeid” in de Ziektewet de afzonderlijke WAO-functies worden verstaan. Omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt ongeschikt te zijn voor ten minste één van deze functies, werd het bestreden besluit dat de ZW-uitkering beëindigde, bevestigd.
De uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk en betreft een zorgvuldige toetsing van medische rapportages en jurisprudentie omtrent de maatstaf van arbeid binnen de Ziektewet en WAO.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellant is terecht beëindigd omdat hij geschikt is voor ten minste één van de bij WAO-beoordeling geselecteerde functies.