ECLI:NL:CRVB:2008:BD9593
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering bijstandsuitkering wegens vermeende overschrijding vermogensgrens
Appellante ontving een bijstandsuitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het College van burgemeester en wethouders van Tilburg besloot de bijstand over de periode van 30 augustus 2004 tot en met 26 april 2006 te herzien en terug te vorderen, omdat appellante zou beschikken over een vermogen boven de vermogensgrens. Dit betrof met name de aankoop van een auto voor € 10.300.
Appellante voerde aan dat zij de auto deels had gefinancierd met een lening van haar broer en deels met gespaarde bijstandsgelden. De Raad stelde vast dat het bestaan van de schuld aan de broer niet voldoende aannemelijk was gemaakt, omdat de lening en terugbetalingsverplichting niet met objectieve, verifieerbare gegevens waren onderbouwd. Ook was onvoldoende aangetoond dat zij de auto deels zelf had gefinancierd.
Hoewel de auto bij aanvang van de periode de vermogensgrens overschreed, was de waarde van de auto op 10 april 2006 lager dan de vermogensgrens. De Raad oordeelde dat dit geen toereikende grondslag bood om de bijstand over de gehele periode in te trekken. Het besluit tot intrekking en terugvordering werd daarom vernietigd en het College werd opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens werd appellante het betaalde griffierecht vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van bijstand wordt vernietigd wegens onvoldoende grondslag en het College moet een nieuw besluit nemen.