ECLI:NL:CRVB:2008:BD9637
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening IOAW-uitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellant ontving vanaf oktober 2003 een IOAW-uitkering. Na melding van tijdelijk inwonen bij [Z.] vond op 8 juni 2005 een huisbezoek plaats. Het College herzag daarop de uitkering per 8 juni 2005 naar de gehuwdengrondslag, omdat appellant en [Z.] een gezamenlijke huishouding voerden.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant tegen deze herziening ongegrond. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad stelt vast dat appellant en [Z.] hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning en zorg droegen voor elkaar, onder meer door gezamenlijk boodschappen doen en zorgen voor elkaars huisdier.
Hoewel later een overeenkomst werd gesloten waarin appellant een maandelijkse bijdrage betaalde, acht de Raad dit geen zakelijke kostgangersrelatie maar een bijdrage aan de huishoudkosten. Appellant heeft zijn inlichtingenplicht geschonden door de gezamenlijke huishouding niet te melden, waardoor ten onrechte een alleenstaande grondslag werd gehanteerd.
De Raad oordeelt dat het College bevoegd was de uitkering te herzien over de periode 8 juni tot en met 26 augustus 2005 en dat het besluit redelijk was. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De herziening van de IOAW-uitkering naar de grondslag voor gehuwden wordt bevestigd over de periode 8 juni tot en met 26 augustus 2005.