ECLI:NL:CRVB:2008:BD9642
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- B.J. van der Net
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- F.J.L. Pennings
- Rechtspraak.nl
Inhouding van WW-pseudopremie op WAO-uitkering van gewezen overheidswerknemer
Appellant, een gewezen rechterlijk ambtenaar, ontving een WAO-uitkering na het staken van zijn werkzaamheden wegens ziekte. Na eervol ontslag werd de uitkering door de Minister als eigen risicodrager betaald. Appellant maakte bezwaar tegen de inhouding van WW-pseudopremie op deze uitkering, stellende dat hij sinds zijn ontslag geen werknemer meer was in de zin van de Werkloosheidswet (WW).
De Minister stelde dat de premieplicht niet afhankelijk is van het hebben van een actuele dienstbetrekking, maar van het feit dat de WAO-uitkering wordt ontvangen uit hoofde van een dienstbetrekking als overheidswerknemer. De Raad bevestigde dat appellant, ondanks het beëindigen van zijn dienstbetrekking, nog steeds als persoon in de zin van artikel 78a WW wordt beschouwd, omdat de uitkering voortkomt uit die dienstbetrekking.
Appellants beroep op het gelijkheidsbeginsel werd verworpen omdat hij onvoldoende aannemelijk maakte dat in vergelijkbare gevallen geen premie werd ingehouden. De Raad verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat de Minister terecht WW-pseudopremie inhoudt op de WAO-uitkering.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de inhouding van WW-pseudopremie op zijn WAO-uitkering is terecht.