ECLI:NL:CRVB:2008:BE0043
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ziekengeld na herstelverklaring bij WAO-uitkering
Appellant, die een WAO-uitkering ontvangt, meldde zich ziek met nek- en rugklachten. Na medisch onderzoek door een verzekeringsarts werd vastgesteld dat er geen wijziging was ten opzichte van eerdere beoordelingen en dat appellant per 15 december 2005 hersteld was voor de geselecteerde functies. Het UWV beëindigde daarop het ziekengeld. Het bezwaar van appellant werd ongegrond verklaard, waarbij de bezwaarverzekeringsarts ook aanvullende medische informatie meenam in haar beoordeling.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij zij het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts als zorgvuldig beoordeelde. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat appellant volgens de Ziektewet recht op ziekengeld heeft indien hij ongeschikt is voor zijn arbeid als rechtstreeks gevolg van ziekte. De Raad bevestigde dat appellant geschikt is voor ten minste één van de functies geselecteerd bij de WAO-beoordeling en derhalve geen recht meer heeft op ziekengeld.
De Raad verwierp de medische bezwaren van appellant, waaronder een brief van een gezondheidscentrum en de psychische klachten, omdat deze onvoldoende aanleiding boden tot twijfel aan het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld per 15 december 2005 wordt bevestigd.