AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging van het besluit tot beëindiging van ziekengeld na verzekeringsgeneeskundig onderzoek
Appellante, voormalig caissière, meldde zich ziek na een verkeersongeval en ontving ziekengeld. Na onderzoek door een verzekeringsarts werd zij hersteld verklaard en werd het recht op ziekengeld beëindigd. Appellante maakte bezwaar en ging in beroep tegen dit besluit.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de klachten niet medisch objectief waren vastgesteld. De Centrale Raad van Beroep sluit zich hierbij aan en benadrukt dat ook het specialistisch onderzoek geen afwijkingen toonde.
De Raad concludeert dat er geen reden is om te twijfelen aan de conclusie dat appellante niet ongeschikt was voor arbeid op de relevante datum. Het bestreden besluit wordt bevestigd en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld wordt bevestigd.
Uitspraak
06/7206 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 14 november 2006, 05/1461 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 13 augustus 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.J.E. Spauwen, advocaat te Kerkrade, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Spauwen. Tevens was als getuige aanwezig [naam moeder], moeder van appellante. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.M. van Haaften.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als caissière in een supermarkt. Zij heeft zich op 4 januari 2005 ziek gemeld in verband met klachten van onder meer hoofd, rug, nek en schouders, ontstaan na een verkeersongeval op 29 november 2004.
1.2. Terzake van dit ziektegeval heeft appellante op 12 april 2005 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts, die haar per 13 april 2005 hersteld verklaarde voor haar werk.
2. Bij besluit van 14 april 2005 is aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 13 april 2005 geen recht meer had op ziekengeld.
3. Bij besluit van 16 juni 2005 (het bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 14 april 2005 ongegrond verklaard.
4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het aan het bestreden besluit ten grondslag liggend verzekeringsgeneeskundig onderzoek, in aanmerking genomen de van de behandelend sector afkomstige informatie, op voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden. De rechtbank heeft daarbij nog in aanmerking genomen dat de namens appellante in beroep ingediende informatie uit de behandelend sector aangeeft dat appellante klachten heeft, maar dat deze klachten niet zijn geobjectiveerd.
5.1. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en heeft in hetgeen van de zijde van appelante bij beroepschrift en ter zitting is aangevoerd geen reden gezien voor een ander oordeel.
5.2. De Raad wijst op de in een rapport van 12 april 2005 neergelegde bevindingen van de primaire verzekeringsarts. Deze heeft bij onderzoek van appellante geen relevante beperkingen kunnen vaststellen. Er was volgens de verzekeringsarts sprake van aspecifieke lage rugklachten zonder medisch te objectiveren oorzaak.
5.3. De bezwaarverzekeringsarts heeft kennis genomen van de in de bezwaarfase in het geding gebrachte informatie van de huisarts van appellante en de haar behandelend neuroloog en naar aanleiding hiervan terecht opgemerkt dat bij specialistisch onderzoek van appellante op 8 maart 2005 in het geheel geen afwijkingen zijn vastgesteld.
5.4. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het onderzoek door de betrokken verzekeringsarts voldoende zorgvuldig is geweest en dat er geen reden is om te twijfelen aan de conclusie van de (bezwaar) verzekeringsarts dat appellante op de datum in geding niet ongeschikt was voor haar arbeid, zoals omschreven in een in de beroepsfase uitgebracht arbeidskundig rapport van 22 augustus 2005.
6. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd
7. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2008.