ECLI:NL:CRVB:2008:BE0062

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 augustus 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-6639 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.P.M. van de Kerkhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)Ziektewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid

Appellante ontving sinds 29 mei 2003 een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het UWV trok deze uitkering per 1 augustus 2005 in, omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Na bezwaar handhaafde het UWV dit besluit met een intrekking per 31 augustus 2005. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, steunend op de medische en arbeidskundige onderbouwing.

In hoger beroep voerde appellante aan dat het medisch onderzoek te kort was en slechts een momentopname betrof, terwijl haar klachten waren toegenomen. Ook stelde zij dat zij niet voldeed aan de opleidingseisen voor de passende functies. De Raad overwoog dat de aanvankelijke toekenning van de WAO-uitkering niet uitsluitend op medische gronden was gebaseerd, maar mede op arbeidskundige gronden die niet volledig geactualiseerd waren.

De Raad kon zich verenigen met de rechtbank dat de medische onderbouwing van het bestreden besluit juist was en dat appellante haar stelling van verdere beperkingen niet met medische stukken had onderbouwd. Rapportages van de bezwaarverzekeringsarts en revalidatiearts boden geen aanwijzingen voor zwaardere beperkingen. De Raad bevestigde dat appellante in staat was om diverse passende functies uit te oefenen, met een verlies aan verdienvermogen van minder dan 15%. Het hoger beroep werd afgewezen.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering per 31 augustus 2005 wordt bevestigd wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

06/6639 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 oktober 2006, 06/1343 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 13 augustus 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Bij brief van 15 januari 2007 heeft mr. M.A. Misker, medewerker bij DAS rechtsbijstand te ’s-Hertogenbosch zich als gemachtigde van appellante gesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 25 oktober 2007 heeft het Uwv een nader rapport van de bezwaararbeids-deskundige ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2008. Appellante en haar gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.L.J. Weltevrede.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellante ontvangt sedert 29 mei 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeids-ongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 4 juli 2005 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 1 augustus 2005 ingetrokken, onder de overweging dat appellante met ingang van deze datum voor minder dan 15% arbeidsongeschikt is te achten.
2. Bij besluit van 6 maart 2006, verder: het bestreden besluit, heeft het Uwv naar aanleiding van het bezwaar van appellante het besluit van 4 juli 2005 ingetrokken en besloten de WAO-uitkering van appellante met in achtneming van de juiste uitloop-termijn, per 31 augustus 2005 in te trekken.
3. De rechtbank heeft het beroep gericht tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, omdat de rechtbank zich – kort weergegeven – kan verenigen met de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.
4. In hoger beroep is door appellante aangevoerd – kort weergegeven – dat het onderzoek door de verzekeringarts zeer kort was en slechts ziet op een momentopname en dat het onbegrijpelijk is dat zij, terwijl er sprake is van toegenomen klachten, thans volledig arbeidsgeschikt wordt geacht. Voorts is door appellante aangevoerd dat zij niet voldoet aan de opleidingseisen, zoals vereist bij de haar voorgehouden passende functies.
5. De Raad overweegt het volgende.
5.1. Ten aanzien van de stelling van appellante dat het onbegrijpelijk is dat zij aan-vankelijk voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt wordt geacht en thans volledig arbeidsgeschikt, terwijl de medische klachten zijn toegenomen, merkt de Raad op dat de toekenning van een volledige WAO-uitkering per 29 mei 2005 uitsluitend op een arbeidskundige grondslag is gebaseerd. De aanvankelijk aan appellante voorgehouden functies bleken niet voldoende geactualiseerd te zijn. Deze toekenning is derhalve niet uitsluitend gebaseerd op een medische arbeidsongeschiktheid.
5.2. Ten aanzien van het thans voorliggende bestreden besluit, dat ziet op de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 31 augustus 2005, kan de Raad zich verenigen met hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen over de medische grondslag van het bestreden besluit. De Raad heeft mede in de overweging betrokken dat appellante haar stelling dat zij verdergaand beperkt is dan door het Uwv is aangenomen niet heeft onderbouwd met nadere medische stukken. In de in het kader van de aanspraak van appellante op ziekengeld ingevolge de Ziektewet ingezonden brieven van de revali-datiearts J.A.H. Hendriks zijn geen aanknopingspunten te vinden dat appellante op de datum in geding, zijnde 31 augustus 2005, meer beperkt is te achten dan door het Uwv is aangenomen. In dit verband verwijst de Raad naar de rapportage van 27 juni 2006 van de bezwaarverzekeringsarts R.M.E. Blanker, welke van de zijde van appellante niet is weerlegd.
5.3. Met de bij het bestreden besluit ten aanzien van appellante aldus met juistheid aangenomen belastbaarheid moet appellante, gelet op het gestelde in het rapport van de bezwaararbeidskundige H.C. Boersma van 24 oktober 2007, in staat worden geacht de functies van secretaris (Sbc-code 515060), medewerker personeelszaken (Sbc-code 515090) en acquisiteur (Sbc-code 516180) te verrichten. De eerder geduide functie van technisch inkoper (Sbc-code 521040) is alsnog wegens de aan deze functie gestelde opleidingseis vervallen. Er resteren blijkens dit rapport echter nog voldoende functies om de schatting op te baseren. Vergelijking van het loon van appellante in haar oude beroep, vergeleken met het loon dat zij in de geduide functies kan verdienen, geeft een verlies aan verdienvermogen te zien van minder dan 15%. De Raad is van oordeel dat de genoemde drie functies in medisch opzicht geacht kunnen worden binnen het bereik van appellante te liggen.
5.4. Ook overigens heeft de Raad in hetgeen door appellante is aangevoerd geen grond gevonden de aangevallen uitspraak voor onjuist te houden. Het hoger beroep slaagt mitsdien niet.
6. Tot slot acht de Raad geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
De uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof. De beslissing is, in tegenwoordig-heid van A.C. Palmboom als griffier uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2008.
(get.) C.P.M. van de Kerkhof.
(get.) A.C. Palmboom.
BP