ECLI:NL:CRVB:2008:BE0065

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 augustus 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-5448 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.S.E. Wulffraat-van Dijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 8:75 AwbArt. 9 Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vernietiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidskundige onderbouwing

Betrokkene, laatst werkzaam als inpakster, viel in november 2000 uit wegens depressieve klachten en ontving vanaf november 2001 een WAO-uitkering van 80-100% arbeidsongeschiktheid, met toeslag sinds augustus 2002.

Appellant trok bij besluit van juli 2005 de WAO-uitkering en toeslag per september 2005 in, wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. De rechtbank vernietigde dit besluit omdat de arbeidskundige onderbouwing onvoldoende inzichtelijk, verifieerbaar en toetsbaar was, met name voor vier van de zes functies die het CBBS-systeem selecteerde.

In hoger beroep stelde appellant dat het aangepaste CBBS-systeem sinds 1 juli 2005 voldoet aan de door de Raad geuite kritiek en dat de nadere motivering in beroep aan de eisen voldoet. De Raad oordeelde dat de rechtbank terecht het besluit vernietigde wegens onvoldoende motivering, maar dat de rechtsgevolgen van het besluit met toepassing van artikel 8:72 Awb Pro in stand blijven.

De uitspraak bevestigt dat de intrekking van de WAO-uitkering onvoldoende was onderbouwd, maar dat de gevolgen van het besluit gehandhaafd blijven vanwege de verbeterde motivering in hoger beroep.

Uitkomst: De vernietiging van de intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.

Uitspraak

06/5448 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 2 augustus 2006, 06/703 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Naam betrokkene] , wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)
en
appellant.
Datum uitspraak: 13 augustus 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft J.G. Burgers, advocaat te Alkmaar, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.D. van Someren. Betrokkene en haar gemachtigde zijn, met schriftelijk bericht, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Betrokkene was laatstelijk werkzaam als inpakster en viel op 13 november 2000 uit met depressieve klachten. Aansluitend aan de wettelijke wachttijd van 52 weken heeft appellant haar met ingang van 12 november 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Sedert 4 augustus 2002 ontvangt betrokkene een toeslag hierop ingevolge de Toeslagenwet.
1.2. Bij besluit van 13 juli 2005 heeft appellant de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 5 september 2005 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.
1.3. Met eveneens een besluit van 13 juli 2005 heeft appellant vastgesteld dat betrokkene met ingang van 5 september 2005 geen recht meer heeft op een toeslag.
1.4. Bij besluit van 13 januari 2006, hierna: bestreden besluit, heeft appellant de bezwaren van betrokkene tegen de besluiten van 13 juli 2005 ongegrond verklaard.
2.1. De rechtbank heeft geoordeeld dat de intrekking van de WAO-uitkering op een deugdelijke medische grondslag is gebaseerd.
2.2. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van voornoemde intrekking heeft de rechtbank in lijn met de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 mei 2006, LJN: AX6258, en met verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 9 november 2004, LJN: AR4716, overwogen dat vier van de zes met behulp van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) geselecteerde functies niet aan de intrekking van de WAO-uitkering ten grondslag kunnen worden gelegd omdat onvoldoende is tegemoet gekomen aan de eisen van inzichtelijkheid, verifieerbaarheid en toetsbaarheid. Met name is de rechtbank van oordeel dat het niet in alle gevallen waarin het binnen het aangepaste CBBS is toegestaan een M te veranderen in een G en aldus een motivering achterwege te laten, zonder meer duidelijk is waarom de belastbaarheid op het desbetreffende punt niet wordt overschreden. De rechtbank is daarbij voorbij gegaan aan de na het bestreden besluit gegeven nadere motivering van de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapport van 22 mei 2006.
2.3. Nu de intrekking van de WAO-uitkering daardoor nog slechts op twee functies berustte, heeft de rechtbank het besteden besluit wegens strijd met artikel 9, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten vernietigd.
3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat met de recente aanpassingen aan het CBBS in voldoende mate is tegemoet gekomen aan de kritiek van de Raad in zijn uitspraken van 9 november 2004, LJN: AR4716 t/m AR4719, AR4721 en AR 4722, en heeft daartoe verwezen naar de uitspraken van de Raad van 12 oktober 2006, LJN: AY9971, AY9973, AY9974, AY9976 en AY9980 over het aangepaste CBBS. Appellant heeft uit deze laatstgenoemde uitspraken afgeleid dat er niet langer sprake is van een verzwaarde motiveringseis nu deze eis rechtstreeks verband hield met de gebreken die in het verleden kleefden aan het CBBS. De omstandigheid dat een deel van de motivering eerst in beroep is gegeven kan naar het oordeel van appellant niet (langer) leiden tot het buiten beschouwing laten van dat deel van de motivering of het oordeel dat de motivering onvoldoende is. Appellant heeft er op gewezen dat met het rapport van
22 mei 2006 is ingegaan op alle signaleringen bij de drie functies waarop de schatting is gebaseerd en dat daarmee is voldaan aan de nadere motiveringseisen die zijn gesteld in de uitspraken van de Raad van 12 oktober 2006.
4.1. Gelet op hetgeen de Raad onder meer in zijn uitspraak van 7 maart 2008, LJN: BC7279, heeft overwogen treft dit betoog van appellant doel. In zijn genoemde uitspraken van 12 oktober 2006 heeft de Raad geoordeeld dat met de door appellant na de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 aan het CBBS aangebrachte aanpassingen in voldoende mate is tegemoet gekomen aan de in die uitspraken verwoorde kritiek van de Raad.
4.2. Gegeven deze systeemaanpassing, die voor 1 juli 2005 zijn beslag heeft gekregen, heeft de in de uitspraken van 9 november 2004 aangekondigde vernietiging van op en na 1 juli 2005 genomen schattingsbesluiten zonder de mogelijkheid van instandlating van de rechtsgevolgen, zijn doel en betekenis verloren. Anders dan de rechtbank meent, kan aan de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 dan ook geen grondslag (meer) voor een dergelijke vernietiging worden ontleend.
4.3.Ten materiële overweegt de Raad dat de bij de functies voorkomende signaleringen inmiddels alle met het in beroep ingezonden arbeidskundig rapport van 22 mei 2006 afdoende zijn toegelicht. In het bijzonder geldt dit voor de G-signalering bij het aspect reiken van de functies inpakker, waarop de rechtbank het oog had.
5. Nu evenwel eerst in de fase van beroep een onderbouwing is gegeven die voldoet aan de door de Raad in zijn eerder genoemde uitspraken gestelde eisen van transparantie, verifieerbaarheid en toetsbaarheid leidt dit de Raad tot de slotsom dat de rechtbank het bestreden besluit terecht heeft vernietigd. Gelet echter op de in hoger beroep gegeven toelichting zal de Raad de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel in stand laten.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven.
Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2008.
(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.
CB