ECLI:NL:CRVB:2008:BE2654
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- B.J. van der Net
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak over proceskostenvergoeding in bezwaar en beroep tegen UWV-besluit
Appellante was in bezwaar gegaan tegen correctienota's van het UWV over de jaren 2000 tot en met 2005. De rechtbank Assen verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit van het UWV en bepaalde dat het UWV de proceskosten in bezwaar en het griffierecht moest vergoeden. Appellante ging in hoger beroep tegen het deel van de uitspraak waarin de rechtbank het UWV slechts veroordeelde tot vergoeding van de proceskosten in beroep, en niet tot een integrale vergoeding van kosten in bezwaar en beroep.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat op grond van artikel 8:75 lid 1 in Pro samenhang met artikel 7:15 lid 2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht een veroordeling in proceskosten in bezwaar alleen mogelijk is indien daarom in de bezwaarfase is verzocht. Appellante had dit verzoek niet gedaan, zodat de rechtbank terecht de proceskostenvergoeding beperkte tot de kosten in beroep.
Verder oordeelde de Raad dat appellante in beroep niet had gesteld dat bijzondere omstandigheden aanwezig waren die een integrale vergoeding rechtvaardigen, zoals bedoeld in artikel 2 lid 3 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht. Hierdoor was een forfaitaire proceskostenvergoeding passend. Het hoger beroep slaagde niet en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad bevestigt dat het UWV alleen de proceskosten in beroep hoeft te vergoeden en niet de kosten in bezwaar of hoger beroep.