ECLI:NL:CRVB:2008:BE2654

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 augustus 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-5092 CSV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 7:15 AwbArt. 2 lid 3 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak over proceskostenvergoeding in bezwaar en beroep tegen UWV-besluit

Appellante was in bezwaar gegaan tegen correctienota's van het UWV over de jaren 2000 tot en met 2005. De rechtbank Assen verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit van het UWV en bepaalde dat het UWV de proceskosten in bezwaar en het griffierecht moest vergoeden. Appellante ging in hoger beroep tegen het deel van de uitspraak waarin de rechtbank het UWV slechts veroordeelde tot vergoeding van de proceskosten in beroep, en niet tot een integrale vergoeding van kosten in bezwaar en beroep.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat op grond van artikel 8:75 lid 1 in Pro samenhang met artikel 7:15 lid 2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht een veroordeling in proceskosten in bezwaar alleen mogelijk is indien daarom in de bezwaarfase is verzocht. Appellante had dit verzoek niet gedaan, zodat de rechtbank terecht de proceskostenvergoeding beperkte tot de kosten in beroep.

Verder oordeelde de Raad dat appellante in beroep niet had gesteld dat bijzondere omstandigheden aanwezig waren die een integrale vergoeding rechtvaardigen, zoals bedoeld in artikel 2 lid 3 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht. Hierdoor was een forfaitaire proceskostenvergoeding passend. Het hoger beroep slaagde niet en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad bevestigt dat het UWV alleen de proceskosten in beroep hoeft te vergoeden en niet de kosten in bezwaar of hoger beroep.

Uitspraak

07/5092 CSV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 17 juli 2007, 06/683 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 7 augustus 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. G. Vos, werkzaam bij Meeuwsen Ten Hopen Belastingadviseurs B.V. te Steenwijk, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Hierop is namens appellante gereageerd bij brief van 9 november 2007.
Bij brief van 24 juni 2008 heeft mr. Vos, voornoemd, de Raad facturen doen toekomen.
Het geding is aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 26 juni 2008, waar partijen - het Uwv na voorafgaand bericht - zich niet hebben laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van het Uwv van 5 april 2006, waarbij de bezwaren van appellante tegen aan haar bij besluiten van 6 en 8 december 2005 opgelegde correctienota’s over de jaren 2000 tot en met 2005 ongegrond zijn verklaard, gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Voorts heeft de rechtbank het Uwv opgedragen opnieuw op het bezwaar van appellante te beslissen. Verder heeft de rechtbank bepaald dat het Uwv de proceskosten ten bedrage van € 644,-- dient te vergoeden en dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellante betaalde griffierecht dient te vergoeden.
Appellante kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak, voor zover de rechtbank het Uwv heeft veroordeeld in de door haar gemaakte proceskosten in beroep ten bedrage van € 644,--. Naar haar mening had de rechtbank tot een integrale vergoeding van de door haar gemaakte proceskosten moeten beslissen, zowel voor wat betreft de door haar gemaakte kosten in bezwaar als voor wat betreft de kosten in beroep. In het verlengde hiervan acht zij ook een veroordeling van het Uwv in de daadwerkelijk gemaakte kosten in hoger beroep aangewezen.
De Raad overweegt met betrekking tot de gemaakte kosten in bezwaar dat, gelet op het bepaalde in artikel 8:75, eerste lid, in samenhang met artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, voor een veroordeling van het Uwv in deze kosten slechts plaats is, indien daarom in de bezwaarfase is verzocht. De Raad stelt vast dat appellante zodanig verzoek niet heeft gedaan. De Rechtbank heeft dan ook met juistheid de veroordeling van het Uwv in de proceskosten van appellante beperkt tot de in beroep gemaakte kosten.
Met betrekking tot laatstgenoemde kosten overweegt de Raad dat appellante in beroep de rechtbank heeft verzocht het Uwv in de kosten te veroordelen, “één en ander op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht”. Appellante heeft niet verzocht om een integrale proceskostenvergoeding, in het bijzonder heeft zij niet gesteld dat in haar geval er sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit. Naar het oordeel van de Raad had het op de weg van appellante gelegen om omstandigheden als evenbedoeld in beroep naar voren te brengen. Nu zij dat heeft nagelaten, vermag de Raad niet in te zien waarom de rechtbank niet kon volstaan met een forfaitaire proceskostenveroordeling.
Gelet op het hiervoor overwogene acht de Raad geen grond aanwezig de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor onjuist te houden. Het hoger beroep slaagt derhalve niet.
Dit laatste brengt tevens met zich dat er geen grond is voor een veroordeling van het Uwv in de door appellante in hoger beroep gemaakte proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en G. van der Wiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2008.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) A. Badermann.
IJ