ECLI:NL:CRVB:2008:BE2735

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 augustus 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-6740 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 7:15 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht artikel 1Artikel 24 Beroepswet
Verwijzingen
9 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling UWV in proceskosten na weigering WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid

Appellant verzocht om een WAO-uitkering, die door het UWV werd geweigerd omdat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. Na bezwaar wees het UWV het bezwaar af. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moest nemen. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellant vergoed, zonder proceskostenveroordeling.

Appellant ging in hoger beroep tegen het ontbreken van een proceskostenveroordeling en stelde dat het UWV in de kosten veroordeeld moest worden, omdat het beroep gegrond werd verklaard en geen uitzonderingen van verwijtbaarheid of formele vernietiging van toepassing waren.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtsbijstand verleend door medewerkers van een vakbond als beroepsmatig moet worden aangemerkt. De Raad vernietigde het bestreden vonnis voor zover het de proceskosten betrof en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant in bezwaar, beroep en hoger beroep, alsmede het griffierecht.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten en vergoeding van griffierecht aan appellant.

Uitspraak

06/6740 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[adres], wonende te [woonplaats] (Duitsland) (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 oktober 2006, 05/3254 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 14 augustus 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.J. Klinkert, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2008. Appellant is daarbij met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.P.L. Smeets.
II. OVERWEGINGEN
1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.2. Bij besluit van 27 oktober 2004 heeft het Uwv geweigerd aan appellant ingaande 21 juni 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toe te kennen op de grond dat zijn arbeidsongeschiktheid op en na die datum minder dan 15% bedroeg.
1.3. Bij besluit van 2 juni 2005 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 oktober 2004 ongegrond verklaard.
2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 2 juni 2005 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat het Uwv het door appellant betaalde griffierecht aan hem vergoedt en overwogen dat er geen aanleiding bestaat voor een proceskostenveroordeling.
2.2. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat er wel aanleiding is om het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Gegrondverklaring van een beroep leidt immers in beginsel tot een proceskostenveroordeling, tenzij degene die beroep heeft aangetekend zelf verwijtbaar heeft gehandeld, dan wel er sprake is van een formele vernietiging waarbij de rechtsgevolgen van het besluit in stand worden gelaten. In dit geval doen zich dergelijke uitzonderingen niet voor.
3.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3.2. De Raad stelt vast dat de omvang van het geding in hoger beroep beperkt is tot de beslissing van de rechtbank om geen proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uit te spreken. Daarbij gaat het om vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), die in de bezwaarfase en in eerste aanleg zijn gemaakt door de toenmalige gemachtigden van appellant, mr. K. Houtsma en mr. J.G.M. Spronken, beiden als jurist werkzaam bij FNV Bondgenoten, Individuele Hulpverlening.
3.3. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad (CRvB 25 oktober 2002, LJN: AF0899 en USZ 2002, 350) wordt de rechtsbijstand die is verleend door een medewerker van een vakbond, waarbij het verlenen van rechtsbijstand mede tot de beroepsmatige taak van de gemachtigde behoort en indien de leden van die organisatie contributie verschuldigd zijn, aangemerkt als beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb. In dit geval is in de bezwaarfase en in eerste aanleg aan voornoemde voorwaarden voldaan.
3.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak, voor zover deze betrekking heeft op de proceskosten voor vernietiging in aanmerking komt. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de Raad het geraden om met toepassing van artikel 24 van Pro de Beroepswet te doen hetgeen de rechtbank had behoren te doen. Nu appellant tijdig heeft verzocht om een vergoeding van de proceskosten in de bezwaarfase op grond van artikel 7:15 van Pro de Awb, dient het Uwv te worden veroordeeld in de kosten van de aan appellant in bezwaar verleende rechtsbijstand en wel tot een bedrag van € 644,--. Voorts dient het Uwv te worden veroordeeld in de kosten van de aan appellant in beroep verleende rechtsbijstand en wel tot een bedrag van € 322,--.
3.5. De Raad acht ten slotte termen aanwezig om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de door appellant in hoger beroep gemaakte kosten van verleende rechtsbijstand tot een bedrag van € 80,50.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in bezwaar, in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.046,50, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 105,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2008.
(get.) H.J. de Mooij.
(get.) N.L.E.M. Bynoe.
IJ