ECLI:NL:CRVB:2008:BE2736
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens verdachte financiële transacties
Appellant ontving bijstand van mei 1998 tot juni 2004 en voerde in die periode 52 verdachte financiële transacties uit, waarbij in totaal €205.515 werd overgemaakt naar de Nederlandse Antillen. Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam herzag de bijstand en besloot deze in te trekken en de kosten terug te vorderen, omdat appellant oncontroleerbare inkomsten uit criminele activiteiten zou hebben ontvangen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep betwistte appellant dat hij de transacties had uitgevoerd en verwees naar een verlopen paspoort en het ontbreken van een strafrechtelijke veroordeling. De Raad verwierp deze verweren, oordeelde dat appellant zich ook met zijn rijbewijs kon legitimeren en dat de bestuursrechter niet gebonden is aan strafrechtelijke uitspraken.
De Raad stelde vast dat appellant de transacties heeft laten uitvoeren en dat hij zijn inlichtingenplicht heeft geschonden door dit niet te melden. Hierdoor kon niet worden vastgesteld of appellant recht had op bijstand. Het College was bevoegd de bijstand in te trekken en de kosten terug te vorderen volgens de WWB. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd.