ECLI:NL:CRVB:2008:BE8786

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 augustus 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-5658 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.A. Hoogeveen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 WWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing WW-uitkering wegens onvoldoende arbeidsurenverlies

Appellant heeft een WW-uitkering aangevraagd na beëindiging van een dienstverband van gemiddeld vier uur per week naast een ander dienstverband van 36 uur per week. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) heeft de uitkering geweigerd omdat appellant niet voldeed aan de eis dat hij ten minste vijf of de helft van zijn arbeidsuren verloor.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant met een vermindering van 40 naar 36 uren per week niet als werkloos in de zin van de WW kon worden beschouwd. Appellant voerde aan dat alleen het dienstverband waaruit het arbeidsurenverlies voortkomt moet worden meegewogen en dat hij recht heeft op uitkering omdat hij 100% van de uren van dat dienstverband verloor.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het Uwv het toepasselijke artikel 16 van Pro de WW correct heeft toegepast, waarbij het totaal aantal arbeidsuren over alle dienstverbanden wordt meegewogen. Het enkele feit dat over beide dienstverbanden premies zijn afgedragen, is niet relevant voor de beoordeling van het arbeidsurenverlies. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de afwijzing van de WW-uitkering bevestigd.

Uitspraak

07/5658 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 28 augustus 2007, 07/68 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 13 augustus 2008.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 2 juli 2008. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.M van Haaften, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2.1. De Raad verwijst voor een meer uitgebreide weergave van de feiten naar hetgeen daarover in de aangevallen uitspraak is vermeld, en volstaat hier met het volgende.
2.2. Appellant heeft een WW-uitkering aangevraagd in verband met het feit dat zijn arbeidsovereenkomst met [naam V.O.F.] met ingang van 1 september 2006 is beëindigd. In dat dienstverband werkte hij gemiddeld vier uur per week. Daarnaast was hij sinds 1 januari 1996 gedurende 36 uur per week werkzaam bij het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (hierna: ABP).
2.3. Met een besluit van 25 september 2006, dat na daartegen gericht bezwaar is gehandhaafd bij besluit van 14 december 2006 (het bestreden besluit), is appellant met ingang van 1 september 2006 een WW-uitkering ontzegd op de grond dat hij niet voldoet aan de in artikel 16 van Pro de WW gestelde voorwaarde dat hij tenminste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren heeft verloren.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is -samengevat- overwogen dat, nu appellant voor 1 september 2006 gemiddeld 40 uren per week werkte, en na die datum nog gemiddeld 36 uur per week, het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellant per 1 september 2006 niet werkloos is geworden als bedoeld in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW.
4. Appellant heeft in hoger beroep, evenals in eerste aanleg, aangevoerd dat volgens hem bij de toepassing van artikel 16, tweede lid, van de WW uitsluitend rekening moet worden gehouden met het dienstverband waaruit het arbeidsurenverlies is ontstaan. Appellant stelt recht te hebben op een WW-uitkering omdat hij 100% van de arbeidsuren van het per 1 september 2006 beëindigde dienstverband heeft verloren. Appellant voert aan dat voor zijn standpunt steun is te vinden in het feit dat met betrekking tot beide dienstverbanden afzonderlijk premie WW is ingehouden en afgedragen.
5.1. In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of de rechtbank moet worden gevolgd in haar oordeel dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
5.2. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.
5.3. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW is werkloos de werknemer die ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren. Op grond van het tweede lid van die bepaling wordt onder de in het eerste lid bedoelde arbeidsuren per kalenderweek verstaan het aantal uren waarin de werknemer in de 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn verlies aan arbeidsuren, gemiddeld per week als werknemer arbeid heeft verricht.
5.4. De Raad is met de rechtbank, op door de rechtbank in de aangevallen uitspraak vermelde overwegingen, van oordeel dat het Uwv in het bestreden besluit een juiste toepassing heeft gegeven aan artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW en artikel 16, tweede lid, van de WW. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het enkele feit dat in beide dienstbetrekkingen premies zijn afgedragen, geen rol speelt bij het antwoord op de thans in geding zijnde vraag of er sprake is van een voor de WW relevant arbeidsurenverlies.
5.5. Op grond van het vorenstaande komt de Raad dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.A. Reinders als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2008.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) M.J.A. Reinders.
RH