ECLI:NL:CRVB:2008:BE8894

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 augustus 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-5960 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
  • M.C.M. van Laar
  • J.F. Bandringa
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39a WAOArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening WAO-uitkering bij niet-toegenomen medische beperkingen

Betrokkene, die sinds 1998 wegens psychische klachten niet meer als metselaar werkt, ontving een WAO-uitkering die in 2000 werd herzien naar een lagere mate van arbeidsongeschiktheid. Na parttime werk als chauffeur meldde hij zich in 2004 ziek en verzocht om verhoging van zijn uitkering wegens vermeende toename van arbeidsongeschiktheid. Een verzekeringsarts concludeerde echter dat zijn beperkingen niet waren toegenomen. Desondanks vond een arbeidskundig onderzoek plaats dat uitwees dat betrokkene 15 tot 25% arbeidsongeschikt was.

Appellant, het UWV, weigerde de verhoging en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank vernietigde dit besluit omdat zij vond dat onvoldoende was gemotiveerd dat de geselecteerde functies geschikt waren voor betrokkene. In hoger beroep stelt het UWV dat volgens vaste jurisprudentie bij geen toename van medische beperkingen geen arbeidskundige toetsing meer nodig is. De Raad onderschrijft dit en oordeelt dat de rechtbank ten onrechte het besluit heeft vernietigd vanwege een ontoereikende arbeidskundige grondslag.

De Raad stelt vast dat de medische beperkingen niet zijn toegenomen en dat het arbeidskundig onderzoek daarom overbodig was. De eerdere uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep wordt ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 20 augustus 2008.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand omdat geen toename van medische beperkingen is vastgesteld.

Uitspraak

06/5960 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 30 augustus 2006, 06/248 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Naam betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),
en
appellant.
Datum uitspraak: 20 augustus 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. M. Hoogendonk, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers. Betrokkene is, zoals tevoren bericht, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. Aan betrokkene, die op 19 oktober 1998 zijn werkzaamheden als metselaar in verband met psychische klachten heeft gestaakt, is na afloop van de wachttijd van 52 weken een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is per 25 mei 2000 herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Met ingang van 1 september 2003 is betrokkene op part-time basis gaan werken als chauffeur. Betrokkene heeft zich voor die werkzaamheden per 4 maart 2004 ziek gemeld vanwege psychische klachten. Op 11 maart 2005 heeft betrokkene verzocht om verhoging van zijn WAO-uitkering in verband met een toename van arbeidsongeschiktheid met ingang van 4 maart 2004. De verzekeringsarts is na onderzoek tot de conclusie gekomen dat de beperkingen van betrokkene niet zijn toegenomen. Vervolgens heeft een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden dat heeft uitgewezen dat betrokkene in staat is een aantal functies te vervullen waarmee hij een zodanig inkomen kan verdienen dat hij voor 15 tot 25% arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 24 juni 2005 heeft appellant geweigerd de WAO-uitkering van betrokkene na afloop van de wachttijd van vier weken na 4 maart 2004 te verhogen. Bij besluit van 12 december 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 24 juni 2005 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven. In dit verband heeft de rechtbank overwogen dat de door betrokkene overgelegde informatie geen nieuwe medische gegevens bevat en slechts de ongewijzigde psychische situatie bevestigt. Naar het oordeel van de rechtbank is evenwel niet afdoende gemotiveerd dat de (resterende) geselecteerde functies voor betrokkene geschikt zijn. Om die reden heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opdracht gegeven een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen zij in haar uitspraak heeft overwogen. Tevens heeft de rechtbank beslissingen genomen inzake vergoeding van proceskosten en griffierecht.
3. In hoger beroep, zoals nader toegelicht ter zitting van de Raad, heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat, overeenkomstig de vaste jurisprudentie van de Raad, bij een verzoek om herziening van de WAO-uitkering ingevolge artikel 39a van de WAO geen arbeidskundige toetsing meer plaatsvindt nadat is vastgesteld dat er geen sprake is van een toename van de beperkingen. Aangezien de beperkingen van betrokkene niet zijn toegenomen, heeft ten onrechte een arbeidskundige beoordeling plaatsgevonden. Appellant is van mening dat de rechtbank het bestreden besluit ten onrechte heeft vernietigd vanwege een ontoereikende arbeidskundige grondslag.
4.1. In geding is de vraag of betrokkene na afloop van de wachttijd van vier weken na 4 maart 2004 aanspraak kan maken op een verhoging van zijn WAO-uitkering. De Raad stelt vast dat tussen partijen in hoger beroep niet langer in geschil is dat de medische beperkingen van betrokkene per 4 maart 2004 niet zijn toegenomen.
4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, waaronder zijn uitspraak van 3 april 2001, LJN: AB1845, is artikel 39a, eerste lid, van de WAO beperkt tot uitsluitend die situaties waarin sprake is van een toename van arbeidsongeschiktheid die voorkomt uit dezelfde (medische) oorzaak. Indien van een toename van de medische beperkingen die ten grondslag liggen aan de reeds toegekende uitkering geen sprake is, wordt derhalve aan een beoordeling van arbeidskundige aspecten niet meer toegekomen. Eerst indien wel van een zodanige toename van medische beperkingen sprake is, dient ter beoordeling of, en zo ja in welke omvang, die toename van beperkingen ook leidt tot een toename van arbeidsongeschiktheid, de arbeidskundige component in ogenschouw te worden genomen. De Raad onderschrijft het standpunt van appellant dat nu de beperkingen van betrokkene per 4 maart 2004 niet waren toegenomen geen aanleiding bestond voor een beoordeling van de arbeidskundige aspecten. De omstandigheid dat een arbeidskundige beoordeling, die overigens leidt tot een lagere mate van arbeidsongeschiktheid, wel heeft plaatsgevonden, kan daaraan niet afdoen omdat die beoordeling overbodig was.
4.3. De rechtbank heeft niet onderkend dat bij de beoordeling van de aanvraag van betrokkene tot verhoging van zijn WAO-uitkering de arbeidskundige component ten onrechte in ogenschouw is genomen en heeft derhalve het bestreden besluit ten onrechte vernietigd omdat het niet berustte op een toereikende arbeidskundige grondslag. Daaruit vloeit voort dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven en dat het beroep alsnog ongegrond verklaard dient te worden.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2008.
(get.) Ch. van Voorst
(get.) M. Lochs
BP