AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkverklaring incidenteel hoger beroep en veroordeling proceskosten na intrekking hoger beroep UWV
Het UWV stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch. Betrokkene diende namens zichzelf een verweerschrift in dat tevens als incidenteel hoger beroep werd gepresenteerd. Het UWV trok het hoger beroep later in. Betrokkene vorderde daarop een beslissing op het incidenteel hoger beroep en vergoeding van proceskosten.
De Raad oordeelde dat het verweerschrift van betrokkene als een zelfstandig hoger beroepschrift moet worden beschouwd en verklaarde dit niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de wettelijke termijn van zes weken. De Raad wees het beroep op incidenteel appel af omdat de omstandigheden daarvoor niet aanwezig waren en het wetsvoorstel dat dit regelt nog niet van kracht was.
Ten aanzien van het ingetrokken hoger beroep van het UWV stelde de Raad vast dat het UWV op verzoek van betrokkene veroordeeld kan worden in de proceskosten. De Raad veroordeelde het UWV tot betaling van € 322,- aan proceskosten voor de juridische bijstand van betrokkene.
De Raad besloot het onderzoek ter zitting achterwege te laten en sprak het vonnis uit op 15 augustus 2008. Hiermee werd het incidenteel hoger beroep van betrokkene niet-ontvankelijk verklaard en het UWV veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het incidenteel hoger beroep van betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard en het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten van € 322,-.
Uitspraak
06/3151 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
Op de hoger beroepen van
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv)
en
[Naam betrokkene] (hierna: betrokkene),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 14 april 2006, 05/2276 (hierna: de aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
betrokkene
en
het Uwv.
Datum uitspraak: 15 augustus 2008
I. PROCESVERLOOP
Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. M.J.M. Strijbosch, advocaat te Eindhoven, op 15 september 2006 een verweerschrift ingediend met als opschrift “verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep inzake WAO”.
Bij brief van 9 mei 2008 heeft het Uwv het hoger beroep ingetrokken.
Bij brief van 15 mei 2008 heeft mr. Strijbosch de Raad laten weten van mening te zijn dat op het incidentele appel in ieder geval nog moet worden beslist. En voorts dat hij namens betrokkene aanspraak maakt op vergoeding van de kosten van juridische bijstand voor het door UWV ingetrokken hoger beroep, waartoe hij een zogeheten formulier proceskosten heeft ingestuurd.
Het Uwv heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Voor wat betreft het namens betrokkene ingenomen standpunt over het incidenteel appel overweegt de Raad als volgt.
1.2. De Raad deelt niet het door mr. Strijbosch in zijn brief van 15 september 2006 ingenomen standpunt dat onder de in dit geval gegeven omstandigheden voor hem de mogelijkheid van incidenteel appèl open stond. Er is geen sprake van de situatie waarin het nalaten van het instellen van zelfstandig beroep aan betrokkene niet kan worden verweten. Artikel 8:69, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verplicht tot het ambtshalve aanvullen van de rechtsgronden van het door - in dit geval - het Uwv ingestelde beroep. Dit artikelonderdeel behelst een opdracht aan de rechter om hetgeen door de indiener van het hoger beroep is aangevoerd zonodig in juridische termen te vertalen en de geschonden rechtsnorm aan te wijzen waarop die indiener (eventueel impliciet) geacht wordt een beroep te hebben gedaan. Dit artikelonderdeel biedt evenwel geen grondslag voor het op verzoek van mr. Strijbosch betrekken in het geschil van geheel op zichzelf staande hoger beroepsgronden.
1.3. De verwijzing door mr. Strijbosch naar het toekomstige artikel 8:97 vanPro de Awb (ingevolge het wetsvoorstel Wet aanpassing bestuursprocesrecht), waarin de mogelijkheid van incidenteel appel zal worden gecodificeerd, baat hem evenmin, nu de Raad daarop niet zal anticiperen.
2.1. Volledigheidshalve, mede gezien de inhoud van zijn brief van 15 mei 2008, ziet de Raad aanleiding het door mr. Strijbosch tevens als incidenteel hoger beroep gepresenteerde verweerschrift te beoordelen als zelfstandig hoger beroepschrift. In dat verband oordeelt de Raad dat hierop niet-ontvankelijkverklaring moet volgen.
2.2. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. De termijn gaat in op de dag na die waarop de aangevallen uitspraak door middel van toezending van een afschrift aan partijen is bekendgemaakt. Een beroepschrift is tijdig ingediend, indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend, indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
2.3. Op grond van de in rubriek I vermelde gegevens stelt de Raad vast dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend, terwijl redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.
3.1. Met betrekking tot het zijdens het Uwv ingestelde hoger beroep overweegt de Raad het volgende.
3.2. Artikel 21a, eerste volzin, van de Beroepswet bepaalt dat in geval van intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan, het bestuursorgaan op verzoek van een partij bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 vanPro de Awb kan worden veroordeeld in de proceskosten.
3.3. De Raad stelt vast dat het Uwv het hoger beroep heeft ingetrokken en dat namens betrokkene een verzoek om veroordeling van het Uwv in de proceskosten van betrokkene is gedaan.
3.4. De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep dat betrokkene wordt geacht te hebben ingesteld niet-ontvankelijk.
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.D. Streefkerk als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2008.