ECLI:NL:CRVB:2008:BE9036
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- B.J. van der Net
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Premiecorrecties bij uitbetaling vakantiedagen en vakantiebijslag na feitelijke beëindiging uitzendovereenkomst
Appellante kreeg premiecorrecties opgelegd door het UWV over de jaren 2000 tot en met 2003 vanwege de uitbetaling van niet opgenomen vakantiedagen en vakantiebijslag van uitzendkrachten die hun werkzaamheden feitelijk beëindigden in de laatste weken van een jaar, terwijl de betaling pas in het volgende jaar plaatsvond. Het UWV stelde dat deze bedragen in het jaar van feitelijke beëindiging als loon moesten worden verantwoord omdat zij toen vorderbaar en inbaar waren geworden.
De Raad oordeelde dat volgens de Coördinatiewet Sociale Verzekering en relevante bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek en de ABU-CAO de vorderbaarheid van vakantiedagen en vakantiebijslag afhankelijk is van het einde van de arbeidsovereenkomst. Feitelijke beëindiging zonder expliciete opzegging leidt niet automatisch tot het einde van de dienstbetrekking en dus ook niet tot vorderbaarheid van de bedragen in dat jaar.
Het UWV had geen onderzoek gedaan naar de vraag of de arbeidsovereenkomst daadwerkelijk was geëindigd en de stukken boden onvoldoende duidelijkheid. Daarom ontbrak het besluit aan een deugdelijke motivering en was het in strijd met het motiveringsbeginsel uit de Algemene wet bestuursrecht. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, het beroep gegrond verklaard en het UWV opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit van het UWV over premiecorrecties wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.