ECLI:NL:CRVB:2008:BE9059
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- B.J. van der Net
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Premiecorrectie over uitbetaling vakantiedagen bij beëindiging uitzendwerkzaamheden
De zaak betreft premiecorrecties opgelegd door het UWV aan een uitzendbureau over de jaren 2000 tot en met 2003. Deze correcties houden verband met de uitbetaling van niet opgenomen vakantiedagen en vakantiebijslag aan uitzendkrachten die hun werkzaamheden in de laatste weken van het jaar feitelijk beëindigden, terwijl betaling pas in het volgende jaar plaatsvond. Het UWV stelde dat deze bedragen in het jaar van beëindiging als loon moesten worden verantwoord en premies moesten worden ingehouden.
De rechtbank stelde zich achter het standpunt van het UWV, maar vernietigde het besluit deels vanwege onduidelijkheid over de concrete bedragen en gaf opdracht tot een nieuw besluit. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de premiecorrecties betrekking hebben op werknemers met een uitzendovereenkomst met een beding volgens artikel 7:691 BW Pro en werkzaam in fase 1 of 2 van de ABU-CAO. Echter, feitelijke beëindiging zonder expliciete opzegging betekent niet automatisch dat de dienstbetrekking is geëindigd en dat vakantiedagen vorderbaar zijn.
De Raad stelt dat het UWV onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de rechtsgeldigheid van de opzegging en dat het besluit daarom onvoldoende gemotiveerd is en vernietigd moet worden. Het UWV moet een nieuw besluit nemen en het hoger beroep van het UWV wordt niet-ontvankelijk verklaard. Het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten van het uitzendbureau.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd en het UWV moet een nieuw besluit nemen; het hoger beroep van het UWV wordt niet-ontvankelijk verklaard.