ECLI:NL:CRVB:2008:BE9208

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 augustus 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-2744 WUBO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.L.M.J. Stevens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945Art. 3:2 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag erkenning als burgeroorlogsslachtoffer wegens ontbreken blijvende invaliditeit

Appellant, geboren in 1933 in voormalig Nederlands-Indië, vroeg in februari 2006 om erkenning als burgeroorlogsslachtoffer op grond van gezondheidsklachten die hij toeschrijft aan zijn ervaringen tijdens de Bersiap-periode, waaronder internering in de Zusterschool te Poerworedjo.

Verweerster wees de aanvraag af omdat appellant geen lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen dat heeft geleid tot blijvende invaliditeit. Dit standpunt werd ondersteund door medische adviezen en een onderzoek door arts Nasheed-Linssen. De huisarts van appellant werd niet geraadpleegd, maar diens verklaring die appellant overlegde, herstelde dit verzuim.

De Raad oordeelde dat de klachten van appellant, zoals hoge bloeddruk en CVA, niet gerelateerd zijn aan oorlogsgeweld maar aan constitutionele aandoeningen en risicofactoren. Psychische klachten werden vooral toegeschreven aan andere levensomstandigheden en niet aan het oorlogsgeweld. Het beroep op omgekeerde bewijslast en het SOT-beleid werd verworpen.

De Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees een vergoeding van proceskosten af.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat geen blijvende invaliditeit door oorlogsgeweld is vastgesteld.

Uitspraak

07/2744 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 7 augustus 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 17 april 2007, kenmerk BZ 7598, JZ/A70/2007, ten aanzien van appellant genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2006. Daar is namens appellant verschenen mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Sittard. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijn de feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant, geboren in 1933 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in februari 2006 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burgeroorlogs-slachtoffer in de zin van de Wet en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor, onder meer, een periodieke uitkering. Appellant heeft zijn aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die hij toeschrijft aan zijn oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië.
1.2. Verweerster heeft deze aanvraag afgewezen bij besluit van 9 januari 2007, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit. Daartoe is overwogen dat appellant weliswaar is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wet (te weten internering in de Zusterschool te Poerworedjo tijdens de Bersiap-periode), maar dat hij ten gevolge van dit oorlogsgeweld geen lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen dat heeft geleid tot blijvende invaliditeit in de zin van de Wet.
1.3. Namens appellant is dit medisch standpunt van verweerster in beroep bestreden onder overlegging van een verklaring van 30 januari 2008 van de huisarts van appellant, S.J.B.J. de Ree.
2. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
2.1. Voor aan de Wet te ontlenen aanspraken van appellant heeft verweerster uitsluitend aanvaard dat appellant tijdens de Bersiap-periode internering in de Zusterschool te Poerworedjo heeft ondergaan. Appellant heeft dit ook niet betwist.
2.2. Gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Wet heeft de Raad vervolgens te beoordelen of verweerster op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat bij appellant geen sprake is van met die gebeurtenis samenhangend, tot blijvende invaliditeit leidend letsel.
2.3. Het in het bestreden besluit neergelegde medisch standpunt van verweerster is in overeenstemming met adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad. Deze adviezen berusten op een rapport van een door de arts J.J. Nasheed-Linssen bij appellant verricht medisch onderzoek. De door appellant vermelde huisarts S.J.B.J. de Ree is niet geraadpleegd.
2.4. Naar de Raad recentelijk heeft overwogen (CRvB 22 mei 2008, 07/7421 WUV, LJN BD2770) brengt het in artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde vereiste van zorgvuldige voorbereiding van besluiten met zich mee, dat bij de medische advisering over aanvragen in beginsel ook actuele gegevens uit de zogenoemde behandelende sector worden betrokken, waarbij alle beschikbare bronnen dienen te worden benut. Zoals vermeld onder 3.3 is namens verweerster evenwel nagelaten de huisarts van appellant te raadplegen. In de omstandigheden van dit geval ziet de Raad echter redenen om van dit uitgangspunt af te wijken. Hierbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat met de namens appellant in beroep overgelegde verklaring van de huisarts feitelijk het (door verweerster) gepleegde verzuim is geheeld. Nu hiermee alsnog de ingevolge artikel 3:2 van Pro de Awb vereiste gegevens ter tafel zijn gekomen, ziet de Raad geen aanleiding om het bestreden besluit al wegens strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb te vernietigen.
2.5. Voorts heeft de Raad geen aanleiding gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het door verweerster, in het spoor van haar geneeskundig adviseurs, ingenomen standpunt dat er bij appellant geen sprake is van tot invaliditeit leidend, aan het oorlogsgeweld gerelateerd psychisch en/of lichamelijk letsel. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat de lichamelijke klachten (te weten hoge bloeddruk en CVA) blijkens de voorhanden medische gegevens niet in verband kunnen worden gebracht met het ondergane oorlogsgeweld maar constitutionele aandoeningen zijn waarbij familiaire en risicofactoren (zoals rookgedrag) mede bepalend zijn. De Raad ziet dan ook geen aanleiding voor toepassing van de zogenoemde omgekeerde bewijslast als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wet, zoals namens appellant is bepleit. Met betrekking tot de (lichte) psychische klachten van appellant komt uit het rapport van de arts Nasheed-Linssen genoegzaam gemotiveerd naar voren dat deze voornamelijk voort-vloeien uit de periode dat hij vanwege de slechte leefomstandigheden het ouderlijk huis heeft verlaten en is gaan zwerven alsmede het niet erkend zijn door zijn (biologische) vader; de steeds terugkerende herinneringen zien ook op genoemde periode. De ingebrachte verklaring van de huisarts, waarin de psychische klachten van appellant kortweg worden toegeschreven aan het geheel van de oorlogsomstandigheden en de daaruit mede voortvloeiende leerachterstand, biedt geen aanknopingspunt om de analyse van verweersters geneeskundig adviseurs ondeugdelijk te oordelen. Het namens appellant voorts nog gedane beroep op het zogenoemde SOT-beleid kan hier geen rol spelen. Essentiële voorwaarde daarvoor is, zoals namens verweerster ter zitting is toegelicht, dat het aanvaarde oorlogsgeweld van betekenende invloed moet zijn geweest op het ontstaan van psychoproblematiek, hetgeen volgens de arts bij appellant niet het geval is geweest.
3. Gezien het voorgaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond.
4. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2008.
(get.) G.L.M.J. Stevens.
(get.) M. van Berlo.
HD