ECLI:NL:CRVB:2008:BE9217

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 augustus 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-1191 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.L.M.J. Stevens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 WUVArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vergoeding tandartskosten echtgenote op grond van WUV

Appellant, een vervolgde in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV), verzocht om vergoeding van tandartskosten voor zijn echtgenote, die volgens hem gebitsschade had opgelopen door zijn gewelddadig optreden voortvloeiend uit zijn psychische klachten. Verweerster wees dit verzoek af, stellende dat de WUV alleen voorziet in vergoeding van medische kosten die de vervolgde zelf betreffen.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitleg en oordeelde dat de Wet geen vergoeding toekent voor door de vervolgde aan derden toegebrachte gezondheidsschade. Hoewel appellant wel vergoeding ontving voor relatietherapie, was deze gericht op zijn eigen psychische klachten en niet op de gezondheidsschade van zijn echtgenote.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak benadrukt de strikte interpretatie van de WUV ten aanzien van vergoeding van medische kosten, die beperkt blijft tot de vervolgde zelf.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de vergoeding van tandartskosten voor de echtgenote wordt afgewezen.

Uitspraak

07/1191 WUV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 7 augustus 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het onder dagtekening 15 januari 2007, kenmerk BZ 46740, JZ/A60/2006, door verweerster te zijnen aanzien genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2008. Aldaar is appellant in persoon verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote [naam echtgenote], terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant, geboren in 1939, is vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet. Aanvaard is dat de psychische klachten van appellant in het door de Wet vereiste verband staan met de door hem tijdens de oorlogsjaren ondergane vervolging.
1.2. In oktober 2006 heeft appellant verweerster verzocht om vergoeding van tandartskosten ten behoeve van zijn echtgenote. Hiertoe heeft appellant aangevoerd dat zijn echtgenote gebitsschade heeft opgelopen als gevolg van zijn uit zijn causale psychische klachten voortvloeiend gewelddadig optreden.
Die aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 13 november 2006, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond - samengevat - dat de Wet alleen voorziet in vergoeding van door en voor appellant zelf gemaakte medische kosten.
2. De Raad dient de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hiertoe wordt overwogen als volgt.
2.1. In artikel 20, eerste lid, van de Wet is bepaald dat, indien de vervolgde wegens ziekten of gebreken welke door of in verband met de vervolging zijn ontstaan of verergerd geneeskundige behandeling en verpleging behoeft, de daaraan verbonden ten laste van de vervolgde blijvende noodzakelijke kosten, alsmede de daarmee direct verband houdende extra kosten voor noodzakelijke voorzieningen volledig worden vergoed.
Verweerster heeft uit deze bepaling terecht afgeleid dat vergoeding van medische kosten alleen kan plaatsvinden voor behandeling van de eigen ziekten en gebreken van de vervolgde zelf. Dat inmiddels, zoals blijkt uit de stukken, door verweerster aan appellant wel een vergoeding is verleend voor relatietherapie, maakt dit niet anders, nu deze therapie is geïndiceerd vanwege de causale psychische klachten van appellant en (mede) op hem is gericht.
Ook overigens kent de Wet niet de mogelijkheid om door de vervolgde aan derden toegebrachte gezondheidsschade te vergoeden.
2.2. Gezien het vorenstaande kan het bestreden besluit in rechte standhouden, zodat het ingestelde beroep ongegrond dient te worden verklaard.
3. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2008.
(get.) G.L.M.J. Stevens.
(get.) M. van Berlo.
HD