ECLI:NL:CRVB:2008:BE9243
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering voortzetting Ziektewetuitkering na medische herbeoordeling
Appellante, voorheen werkzaam als inpakster in de vleesverwerking, meldde zich ziek vanuit een WW-uitkering met klachten zoals spier- en gewrichtspijnen, moeheid en duizeligheid. Na meerdere medische onderzoeken verklaarde de verzekeringsarts haar per 10 oktober 2005 hersteld en geschikt voor haar arbeid. Het UWV besloot daarop de Ziektewetuitkering te beëindigen.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd door de bezwaarverzekeringsarts en bezwaararbeidsdeskundige ongegrond verklaard. De rechtbank Amsterdam bevestigde dit oordeel. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij vanwege haar gezondheid niet in staat was de zware voltijdse functie uit te oefenen en dat de functieomschrijving onjuist was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV op goede gronden concludeerde dat appellante per 10 oktober 2005 in staat was haar arbeid te verrichten. De medische rapportages, waaronder die van de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundige, wezen uit dat de klachten geen belemmering vormden voor voltijdse arbeid. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante per 10 oktober 2005 niet langer arbeidsongeschikt is en geen recht meer heeft op ziekengeld.