ECLI:NL:CRVB:2008:BE9523
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering nabestaandenuitkering ondanks bijzondere omstandigheden
Appellante ontving vanaf januari 1999 een nabestaandenuitkering op basis van onjuiste inkomensgegevens die door de Sociale verzekeringsbank (Svb) foutief waren verwerkt. De Svb herzag de uitkering over de periode januari 1999 tot en met december 2001 en vorderde het te veel betaalde bedrag terug. Appellante voerde aan dat zij te goeder trouw was en niet verantwoordelijk was voor de onjuiste uitkering.
De Raad stelde vast dat appellante niet altijd tijdig en volledig wijzigingen in haar inkomen had doorgegeven, maar erkende ook dat de Svb een fout had gemaakt bij de eerste toekenning. De Raad oordeelde dat de Svb op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) verplicht was de uitkering te herzien, maar dat het rechtszekerheidsbeginsel en bijzondere omstandigheden in acht moesten worden genomen.
De Svb had daarom afgezien van herziening over de periode januari 2001 tot en met oktober 2004, waarmee zij een evenwichtige belangenafweging had gemaakt. De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees een veroordeling in proceskosten af. Tevens werd toegezegd dat de aflossingscapaciteit van appellante opnieuw zou worden beoordeeld.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van de nabestaandenuitkering en wijst het beroep van appellante af.