ECLI:NL:CRVB:2008:BE9789
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende bewijs arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft in 2002 een aanvraag ingediend voor een WAO-uitkering met de stelling dat zijn arbeidsongeschiktheid sinds 3 september 1990 onafgebroken zou hebben geduurd. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) weigerde de aanvraag omdat appellant onvoldoende bewijs leverde van zijn arbeids- en verzekeringsverleden en de onafgebroken arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant tegen deze weigering ongegrond. Appellant stelde zich in hoger beroep op het standpunt dat hij wel recht had op de uitkering. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat op grond van artikel 19 van Pro de WAO recht op uitkering ontstaat na 52 weken onafgebroken arbeidsongeschiktheid en dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij aan deze voorwaarde voldeed.
Het dossier toonde aan dat appellant vanaf 3 september 1990 tot 19 maart 1991 een Ziektewet-uitkering ontving, maar er ontbraken medische verklaringen die de aard en duur van zijn klachten bevestigen. Ook had appellant zich niet eerder tot het Uwv gewend voor doorbetaling of aanvraag van een WAO-uitkering. Gezien het tijdsverloop van 11 jaar en het ontbreken van bewijs blijft het risico van onduidelijkheid voor rekening van appellant.
De Raad concludeerde dat het Uwv terecht de uitkering heeft geweigerd en bevestigde het vonnis van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens onvoldoende bewijs van onafgebroken 52 weken arbeidsongeschiktheid.