ECLI:NL:CRVB:2008:BE9789

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 augustus 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06/2094 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:2 AwbArt. 4:5 AwbArt. 19 WAO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende bewijs arbeidsongeschiktheid

Appellant heeft in 2002 een aanvraag ingediend voor een WAO-uitkering met de stelling dat zijn arbeidsongeschiktheid sinds 3 september 1990 onafgebroken zou hebben geduurd. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) weigerde de aanvraag omdat appellant onvoldoende bewijs leverde van zijn arbeids- en verzekeringsverleden en de onafgebroken arbeidsongeschiktheid.

De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant tegen deze weigering ongegrond. Appellant stelde zich in hoger beroep op het standpunt dat hij wel recht had op de uitkering. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat op grond van artikel 19 van Pro de WAO recht op uitkering ontstaat na 52 weken onafgebroken arbeidsongeschiktheid en dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij aan deze voorwaarde voldeed.

Het dossier toonde aan dat appellant vanaf 3 september 1990 tot 19 maart 1991 een Ziektewet-uitkering ontving, maar er ontbraken medische verklaringen die de aard en duur van zijn klachten bevestigen. Ook had appellant zich niet eerder tot het Uwv gewend voor doorbetaling of aanvraag van een WAO-uitkering. Gezien het tijdsverloop van 11 jaar en het ontbreken van bewijs blijft het risico van onduidelijkheid voor rekening van appellant.

De Raad concludeerde dat het Uwv terecht de uitkering heeft geweigerd en bevestigde het vonnis van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens onvoldoende bewijs van onafgebroken 52 weken arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

06/2094 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 maart 2006, 05/3846 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 28 augustus 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2008. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eymael.
II. OVERWEGINGEN
1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.2. Appellant, geboren op 1 juli 1963, heeft via de Caisse Nationale de Sécurité Sociale (CNSS) op 14 maart 2002 bij het Uwv een aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ingediend. Daarbij heeft hij verklaard dat hij in 1989 naar Nederland is gekomen en vanwege gezondheidsredenen in 1993 is teruggekeerd naar Marokko. Hij heeft daarbij aangegeven dat sprake is van ingewandsklachten en hij driemaal is geopereerd. Daarbij heeft appellant overgelegd een inschrijvingsbewijs van het Algemeen ziekenfonds Haaglanden, belastingjaaropgaven over 1989 en 1990 en een brief van de Stichting Agrarische Sociale Fondsen van 3 oktober 1990 inzake een aanvraag om uitkering krachtens de Ziektewet (ZW) per
3 september 1990.
1.3. In het kader van het verzoek van het Uwv aan appellant om nadere informatie te verstrekken heeft appellant het Uwv bij brief van 28 november 2002 medegedeeld dat hij vanaf 1 september 1990 heeft gewerkt bij het tuinbouwbedrijf [naam tuinbouwbedrijf] te [plaatsnaam], dat hij op verschillende adressen in [plaatsnaam] heeft gewoond, dat hij vanaf 3 september 1990 een ZW-uitkering heeft ontvangen, dat hij is behandeld in het Westeinde Ziekenhuis in Den Haag en dat hij in 1993 door de Vreemdelingenpolitie Nederland is uitgezet.
1.4. Bij besluit van 13 augustus 2003 heeft het Uwv met toepassing van artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) besloten de aanvraag van appellant niet te behandelen, omdat de door appellant verstrekte gegevens onvoldoende bewijs opleveren voor zijn arbeids- en verzekeringsverleden in Nederland.
1.5. Bij besluit van 7 januari 2004 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 augustus 2003 ongegrond verklaard.
1.6. Bij uitspraak van 31 augustus 2004 (04/229) heeft de rechtbank Amsterdam het beroep van appellant tegen het besluit van 7 januari 2004 - onder verwijzing naar artikel 4:2, tweede lid, van de Awb - gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het Uwv opgedragen opnieuw op het bezwaar van appellant te beslissen.
1.7. Bij besluit van 14 september 2004 heeft het Uwv het bezwaar van appellant opnieuw ongegrond verklaard, op de grond dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanaf 3 september 1990 onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest.
2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 14 september 2004 ongegrond verklaard.
2.2. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
3.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3.2. Recht op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontstaat volgens artikel 19 van Pro de WAO voor een verzekerde zodra hij 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest, indien hij na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt is.
3.3. Appellant heeft in 2002 een WAO-uitkering aangevraagd met het oog op een arbeidsongeschiktheid die op 3 september 1990 zou zijn ingetreden. Uit het dossier komt naar voren dat appellant vanaf die datum tot en met 19 maart 1991 een uitkering ingevolge de ZW heeft ontvangen, doch niet welke klachten aan die toekenning ten grondslag hebben gelegen. Op basis van de beschikbare gegevens is niet aannemelijk geworden dat appellant heeft voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Uit de door appellant verstrekte gegevens blijkt slechts dat hij tijdens zijn verblijf in Nederland enkele malen afspraken heeft gehad met specialisten in het Westeinde Ziekenhuis in Den Haag. Appellant heeft echter in het geheel geen verklaringen van de behandelende medici overgelegd, waaruit opgemaakt zou kunnen worden welke klachten hij had, wat de behandeling inhield en of hij opgenomen is geweest. De verstrekte gegevens bieden geen enkel aanknopingspunt voor de conclusie dat appellant in de relevante (verzekerde) periode onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt zou zijn geweest. Hierbij heeft de Raad mede in aanmerking genomen dat appellant zich tot de onderhavige aanvraag in 2002 via de CNSS niet eerder tot het Uwv heeft gewend met een verzoek om doorbetaling van de ZW-uitkering of een aanvraag om WAO-uitkering, terwijl niet valt in te zien dat appellant hiertoe buiten staat zou zijn geweest. Het risico van eventuele onduidelijkheid met betrekking tot appellants medische situatie ten tijde in geding moet door het tijdsverloop van 11 jaar voor rekening van appellant blijven.
3.4. Uit het vorenstaande volgt dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een WAO-uitkering en dat het Uwv derhalve op goede gronden aan appellant een uitkering ingevolge de WAO heeft geweigerd.
3.5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2008.
(get.) H.J. de Mooij.
(get.) W. Altenaar.
OA