ECLI:NL:CRVB:2008:BE9928

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 augustus 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/5223 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.A. Hoogeveen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 WWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing loongerelateerde WW-uitkering wegens niet voldoen aan 4-uit-5 eis

Appellante heeft na beëindiging van haar werkzaamheden per 17 maart 2006 een aanvraag ingediend voor een WW-uitkering. Het UWV kende haar een kortdurende uitkering toe, maar weigerde de loongerelateerde uitkering omdat zij niet voldeed aan de 4-uit-5 eis: in ten minste vier van de vijf jaren voorafgaand aan het jaar van werkloosheid moest zij over 52 of meer dagen loon hebben ontvangen.

Appellante maakte bezwaar en leverde aanvullende bewijsstukken aan, waaronder belastingaanslagen en loonberekeningsformulieren. Het UWV oordeelde dat de gegevens onvoldoende waren om de arbeidsverleden eis te bewijzen en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde dit oordeel omdat niet vaststond over hoeveel dagen loon was ontvangen in de relevante jaren.

In hoger beroep stelde appellante dat zij drie dagen per week drie uur werkte, wat zou neerkomen op minimaal 156 loondagen per jaar. De Raad overwoog echter dat, zelfs als de aangeleverde bankafschriften en verklaringen als bewijs zouden gelden, dit slechts voor de jaren 2002 en 2003 zou gelden. Voor 2001 en 2004 was onvoldoende bewijs voor het voldoen aan de 52-dagen eis. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.

De Raad wees tevens een vergoeding van proceskosten af omdat geen bijzondere omstandigheden aanwezig waren. De uitspraak werd op 20 augustus 2008 in het openbaar gedaan door M.A. Hoogeveen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de loongerelateerde WW-uitkering bevestigd.

Uitspraak

07/5223 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 20 juli 2007, 06/1336 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 20 augustus 2008.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. I. Lfil, advocaat te Winschoten, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2008. Namens appellante is verschenen mr. Lfil. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.T. Wielinga, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2.1. Naar aanleiding van de beëindiging van haar werkzaamheden bij wijlen mevrouw [N.] (hierna: werkgever) per 17 maart 2006, heeft appellante een aanvraag ingediend voor een uitkering ingevolge de WW. Bij besluit van 19 april 2006 heeft het Uwv appellante met ingang van 20 maart 2006 een kortdurende uitkering toegekend. Een loongerelateerde uitkering wordt niet toegekend omdat appellante niet voldoet aan de eis dat zij in tenminste vier van de vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het jaar waarin zij werkloos werd over 52 of meer dagen loon heeft ontvangen, de zogenoemde 4-uit-5 eis.
2.2. Appellante heeft tegen het besluit van 19 april 2006 bezwaar gemaakt en een aantal gegevens opgestuurd, onder andere een verklaring van de dochter van de werkgever, definitieve belastingaanslagen 2001 tot en met 2004 en loonberekeningsformulieren. Bij brief van 24 juli 2006 heeft het Uwv aan appellante medegedeeld dat er onvoldoende gegevens aanwezig waren met betrekking tot de jaren 2000 tot en met 2004. Appellante is alsnog in de gelegenheid gesteld gegevens in te brengen, zoals jaaropgaven, salarisstroken en het inschrijvingsbewijs Ziekenfonds. Bij besluit van 22 augustus 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv heeft hierbij aangenomen dat appellante niet heeft aangetoond dat zij voldoet aan de arbeidsverledeneis.
2.3. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard en daarbij onder meer overwogen dat niet is komen vast te staan over hoeveel dagen appellante loon als werknemer heeft ontvangen in de periode 2000 tot en met 2004.
3. Appellante heeft in hoger beroep opnieuw aangevoerd dat zij in de relevante periode drie dagen per week drie uren per dag werkzaamheden als werknemer heeft verricht en dus minimaal op 156 dagen per jaar loon heeft ontvangen.
4. De Raad staat voor de beantwoording van de vraag of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel over het bestreden besluit. Die vraag beantwoordt hij bevestigend en overweegt daartoe het volgende.
4.1. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv bij het bestreden besluit terecht aangenomen dat appellante niet voldoet aan de 4-uit-5 eis. Hij stelt allereerst vast dat de in 2.2 vermelde referteperiode als bedoeld in artikel 17, onderdeel b, van de WW in casu de jaren 2001 tot en met 2005 betreft en niet in geschil is dat appellante in 2005 over 52 dagen loon heeft ontvangen.
4.2. Voorts overweegt de Raad dat zelfs indien de aanwezige bankafschriften en verklaringen als toereikend bewijs zouden worden aangemerkt voor het standpunt van appellante, dan nog geconcludeerd moet worden dat dat slechts opgaat voor de jaren 2002 en 2003. Over het jaar 2001 zijn op basis daarvan hoogstens elf loondagen aan te wijzen, terwijl de bankafschriften van 2004 volstrekt onvoldoende aantonen dat in dat jaar sprake is geweest van loonbetaling over 52 dagen.
5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
6. De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen. De beslissing is, in tegenwoordigheid P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2008.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) P. Boer.
HD
7.08