ECLI:NL:CRVB:2008:BF0217
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering terugwerkende AOW-toeslag wegens niet tijdige melding gezamenlijke huishouding
Appellant ontvangt sinds 1998 een AOW-pensioen en gaf in 2004 telefonisch door dat hij sinds 2002 een gezamenlijke huishouding voert. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) kende hem een toeslag toe met terugwerkende kracht van één jaar en gaf een waarschuwing wegens het niet tijdig melden van de huishouding. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat de toeslag met terugwerkende kracht vanaf het begin van de huishouding moest worden toegekend, vanwege onzekerheid over de verblijfsstatus van zijn partner.
De Raad oordeelde dat deze omstandigheden geen bijzonder geval vormen dat een verdere terugwerkende kracht rechtvaardigt. Appellant beriep zich op onbekendheid met de wettelijke voorschriften, wat volgens vaste rechtspraak geen bijzonder geval is. Tevens stelde de Raad vast dat appellant zijn meldingsplicht had geschonden en dat er geen reden was om hem daarvoor niet verwijtbaar te achten.
Daarom werd het hoger beroep verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van een terugwerkende AOW-toeslag wordt bevestigd.