ECLI:NL:CRVB:2008:BF0286
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.F. Bandringa
- P.J. Jansen
- Rechtspraak.nl
Terugvordering te veel betaalde WAO-uitkering en rechtszekerheid
Appellante viel sinds 16 augustus 1999 wegens ziekte uit voor haar werk en ontving een WAO-uitkering. In 2001 werd haar arbeidsongeschiktheid herzien van 45-55% naar 35-45%, maar het UWV betaalde feitelijk de hogere uitkering over de periode 1 oktober 2001 tot 31 juli 2005. Het UWV vorderde daarom een bedrag terug wegens te veel betaalde uitkering.
De rechtbank oordeelde dat het UWV terecht de uitkering met terugwerkende kracht had herzien en verklaarde het beroep ongegrond. De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de rechtbank buiten de rechtsstrijd trad door te oordelen over herziening, terwijl het besluit slechts terugvordering betrof.
De Raad bevestigde dat de terugvordering terecht was omdat het besluit van 21 september 2001 tot herziening rechtsgeldig was en niet ongedaan werd gemaakt door het latere besluit van 20 maart 2002. Appellante kon niet aannemen dat zij recht had op de hogere uitkering na 1 september 2001. Het rechtszekerheidsbeginsel stond de terugvordering niet in de weg. Het beroep werd ongegrond verklaard en het UWV werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van te veel betaalde WAO-uitkering bevestigd.