ECLI:NL:CRVB:2008:BF0366
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- M. Greebe
- Rechtspraak.nl
Weigering bijstandsuitkering aan EU-onderdaan wegens ontbreken verblijfsrecht en toereikende bestaansmiddelen
Appellante [S.], een Duitse EU-onderdaan, woonde sinds 2003 samen met een Nederlandse partner en vroeg bijstand aan op basis van de WWB. Na haar vertrek naar Duitsland en terugkeer in Nederland verloor zij haar rechtmatige verblijfsstatus en begon een nieuwe vergunningsvrije verblijfsperiode van zes maanden. De bijstandsaanvraag werd afgewezen omdat zij niet voldeed aan de voorwaarde van toereikende bestaansmiddelen en haar verblijfsrecht als EU-onderdaan niet onvoorwaardelijk was.
De Raad overwoog dat het EG-Verdrag en de richtlijnen beperkingen stellen aan het verblijfsrecht van EU-onderdanen, waaronder de eis van voldoende bestaansmiddelen om te voorkomen dat zij een beroep doen op de sociale bijstand van het gastland. Appellante kon geen verblijfsrecht ontlenen aan artikel 18 EG Pro-Verdrag omdat zij niet aan deze eis voldeed. Daarnaast was zij niet wettig in Nederland verblijvend volgens de Vreemdelingenwet 2000.
Verder oordeelde de Raad dat werkzoekende EU-onderdanen slechts recht hebben op gelijke behandeling wat betreft toegang tot arbeid, maar niet op sociale bijstand tenzij de weigering daarvan niet objectief gerechtvaardigd is. In dit geval was de weigering objectief gerechtvaardigd. De rechtbank had het besluit tot weigering van bijstand terecht bevestigd en de Raad bevestigde deze uitspraak zonder proceskosten toe te wijzen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van bijstandsuitkering wegens ontbreken van rechtmatig verblijfsrecht en onvoldoende bestaansmiddelen.