ECLI:NL:CRVB:2008:BF0383
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.F. Bandringa
- P.J. Jansen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens niet doorlopen wachttijd van 52 weken
Appellante verzocht om een WAO-uitkering, maar het UWV weigerde deze omdat zij niet gedurende 52 weken arbeidsongeschikt was geweest. De werkgever had in januari en februari 2001 onbetaald ouderschapsverlof verleend, waardoor appellante in die periode niet verzekerd was voor de Ziektewet. Hoewel de werkgever later het loon over deze maanden heeft nabetaald, achtte het UWV dit niet maatgevend voor de wachttijd.
De rechtbank Zutphen verklaarde het beroep van appellante ongegrond en bevestigde dat de wachttijd niet was doorlopen. Appellante ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep, die het standpunt van het UWV onderschreef. De Raad oordeelde dat de wachttijd door de periode van onbetaald verlof was onderbroken en dat de medische beoordelingen van de verzekeringsartsen aannemelijk maakten dat appellante per 1 januari 2001 geschikt was voor haar werk.
De Raad verwierp het argument van appellante dat de loondoorbetaling door de werkgever de wachttijd zou herstellen. De aangevallen uitspraak werd met verbetering van gronden bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WAO-uitkering bevestigd wegens niet doorlopen wachttijd.