ECLI:NL:CRVB:2008:BF0395
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.F. Bandringa
- P.J. Jansen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van het UWV om haar een WAO-uitkering toe te kennen omdat zij volgens het UWV minder dan 15% arbeidsongeschikt was per 22 september 2004. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij wel beperkingen had aan haar linkerarm en dat een onafhankelijke deskundige benoemd had moeten worden.
De Raad overwoog dat het UWV in hoger beroep een uitgebreide rapportage overlegd had waarin de arbeidsongeschiktheid zorgvuldig was gemotiveerd. De beperkingen waren volgens de rapportage niet zodanig dat de belastbaarheid werd overschreden. De Raad stelde vast dat het besluit in strijd was met de Awb omdat de motivering pas in hoger beroep was gegeven en vernietigde het bestreden besluit.
Desondanks liet de Raad de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand, omdat de inhoudelijke beoordeling van de arbeidsongeschiktheid voldoende was onderbouwd. De Raad wees ook de proceskosten toe aan appellante en bepaalde dat het griffierecht werd vergoed.
De Raad oordeelde dat de medische beperkingen van appellante op de datum in geding juist waren vastgesteld en dat geen reden bestond een deskundige te benoemen. Medische stukken van artsen ondersteunden dit oordeel, en een latere verergering was niet relevant voor de beoordeling op de datum van 22 september 2004.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot weigering van de WAO-uitkering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.