ECLI:NL:CRVB:2008:BF1189

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 september 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-6931 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Bolt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad, waarin het bezwaar tegen het door het UWV geweigerde WAO-uitkeringsbesluit werd toegewezen. Het UWV had geweigerd een WAO-uitkering toe te kennen omdat appellante minder dan 15% arbeidsongeschikt was na afloop van de wachttijd.

De rechtbank oordeelde dat het UWV niet onjuiste medische beperkingen had aangenomen en dat de functies die aan appellante waren voorgehouden passend waren, mede op basis van een nadere arbeidskundige rapportage. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit maar hield de rechtsgevolgen in stand.

In hoger beroep heeft appellante haar grieven herhaald, maar de Centrale Raad van Beroep vond de medische en arbeidskundige beoordeling van het UWV zorgvuldig en juist. De Raad concludeerde dat de drie functies passend waren en dat er geen aanleiding was om het oordeel van de rechtbank te verwerpen.

De Raad wees ook op het ontbreken van gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Appellante bracht geen nieuwe medische gegevens in die twijfel konden doen ontstaan over de juistheid van de beperkingen die het UWV in aanmerking had genomen.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

06/6931 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 24 oktober 2006, 06/628 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 17 september 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. F.W. Verweij, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2008. Appellante is - met voorafgaand bericht - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Rebel.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 11 november 2005 heeft het Uwv geweigerd aan appellante met ingang van 7 december 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toe te kennen, omdat zij na afloop van de in dit geval geldende wachttijd op 7 december 2004 minder dan 15% arbeidsongeschikt was.
1.2. Bij besluit van 14 februari 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen voormeld besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft tevens bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven en bepalingen over de vergoeding van proceskosten en griffierecht gegeven. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv niet van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan. Voorts is de rechtbank van oordeel dat met de toelichting in een nadere arbeidskundige rapportage van 12 september 2006 alsnog voldoende inzichtelijk is gemaakt waarom de aan appellante voorgehouden functies passend zijn.
3. In hoger beroep heeft appellante in essentie haar grieven in bezwaar en in eerste aanleg herhaald.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak.
De Raad is van oordeel dat de medische beoordeling van de in geding zijnde schatting op een zorgvuldige en juiste wijze heeft plaatsgevonden en dat appellantes mogelijkheden ten aanzien van het verrichten van arbeid, zoals weergegeven in de voor haar geldende zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst van 30 september 2005, niet zijn overschat. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de beschikbare gegevens voldoende informatie bevatten omtrent de gezondheidstoestand van appellante op de in geding zijnde datum om tot een verantwoord oordeel te komen. Door appellante zijn in hoger beroep geen medische gegevens ingebracht die aanleiding zouden hebben kunnen geven tot twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsartsen van het Uwv in aanmerking genomen medische beperkingen.
4.2. De Raad is van oordeel dat terecht door het Uwv is aangenomen dat de drie functies die uiteindelijk aan de schatting ten grondslag zijn gelegd, te weten elektronicamonteur (SBC-code 267040), productiemedewerker textiel (SBC-code 272043) en productiemedewerker confectie (SBC-code 272042), in medisch opzicht geacht kunnen worden binnen het bereik van appellante te liggen. Met de arbeidskundige rapportage van het Uwv van 12 september 2006, met bijlagen, is naar het oordeel van de Raad de geschiktheid van de functies op alle relevante aspecten op een voldoende inzichtelijke en toetsbare wijze gemotiveerd. Ook overigens heeft de Raad in hetgeen door appellante is aangevoerd geen grond gevonden de aangevallen uitspraak voor onjuist te houden. Het hoger beroep slaagt mitsdien niet.
5. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 september 2008.
(get.) H. Bolt.
(get.) I.R.A. van Raaij.
RB