ECLI:NL:CRVB:2008:BF1882

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 september 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-778 WAZ + 07-779 WAZ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit UWV over terugvordering WAZ-uitkering en anticumulatie

Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV waarin zijn WAZ-uitkering werd aangepast vanwege inkomsten uit arbeid vanaf 1 januari 2003. Het UWV had vastgesteld dat appellant onverschuldigd een bedrag van €6.438,26 had ontvangen en dit bedrag teruggevorderd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant deels gegrond door het besluit te vernietigen voor de periode van 1 januari 2003 tot 26 maart 2005, en bepaalde dat de uitkering over die periode moest worden aangepast naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Het beroep tegen het terugvorderingsbesluit werd echter ongegrond verklaard, waarbij werd vastgesteld dat het teruggevorderde bedrag correct was, mede omdat het UWV per abuis een correctiebedrag onverschuldigd had betaald.

In hoger beroep voerde appellant aan dat de terugwerkende kracht van de korting in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel, en dat hij niet wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat zijn inkomsten invloed hadden op zijn uitkering. De Raad onderschreef echter de overwegingen van de rechtbank dat appellant redelijkerwijs had moeten beseffen dat zijn inkomsten gevolgen konden hebben voor de uitkering, mede gelet op de communicatie met de arbeidsdeskundige en zijn kennis van zijn maatmaninkomen.

De Raad concludeerde dat het UWV terecht de uitkering had aangepast en dat het hoger beroep van appellant niet slaagde. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De aangevallen uitspraak werd bevestigd voor zover aangevochten.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

07/778 WAZ
07/779 WAZ
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 14 december 2006, 05/2937 en 06/301 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 19 september 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.J. Vereijken, advocaat te Veldhoven, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn voornoemde raadsman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door G.A.G.T. Heijmans.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar wat de rechtbank hieromtrent met juistheid in de aangevallen uitspraak heeft overwogen. Hier volstaat de Raad met het volgende.
1.2. Bij besluit van 17 augustus 2005 heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen een besluit van 19 april 2005 betreffende zijn aanspraken op een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) ongegrond verklaard.
Met laatstgenoemd besluit heeft het Uwv beslist dat de inkomsten uit arbeid van appellant vanaf 1 januari 2003 van invloed zijn op de uitbetaling van zijn uitkering, in die mate dat zijn uitkering vanaf genoemde datum wordt uitbetaald op basis van een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.
1.3. Bij besluit van 14 december 2005 heeft het Uwv gehandhaafd het besluit van 11 augustus 2005, waarbij van appellant is teruggevorderd het bedrag dat naar het oordeel van het Uwv aan appellant over de periode van 1 januari 2003 tot 1 mei 2005 onverschuldigd aan WAZ-uitkering is betaald ter hoogte van € 6.438,26.
2.1. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 17 augustus 2005 gegrond verklaard en het besluit vernietigd voorzover het betreft de periode waarover de inkomsten van appellant op zijn WAZ-uitkering zijn gekort. De rechtbank heeft voorts bepaald dat de WAZ-uitkering in verband met de genoten inkomsten over de periode van 1 januari 2003 tot 26 maart 2005 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80% aan appellant dient te worden uitbetaald, waarbij de rechtbank tevens heeft bepaald dat haar uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De rechtbank heeft tevens gelast dat aan appellant het betaalde griffierecht dient te worden vergoed.
2.2. Het beroep van appellant tegen het terugvorderingsbesluit van 14 december 2005 is door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank vastgesteld dat alleen over de periode van 1 januari 2003 tot 26 maart 2005 sprake is van onverschuldigd betaalde WAZ-uitkering in verband met de korting van de inkomsten van appellant. Aangezien het Uwv echter per abuis het bedrag waarmee het terugvorderingsbedrag in verband met de aanpassing van de periode diende te worden gecorrigeerd, dat nog niet door appellant aan het Uwv was voldaan, op de rekening van appellant heeft gestort en daarmee (alsnog) onverschuldigd aan appellant heeft betaald, is de hoogte van het in het primaire besluit opgenomen terugvorderingsbedrag ongewijzigd gebleven.
3.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de korting van zijn inkomsten met terugwerkende kracht op zijn WAZ-uitkering in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en dat zich in dit geval niet de uitzondering voordoet, dat appellant wist of redelijkerwijs geacht kon worden te weten, dat de hoogte van zijn inkomsten van invloed konden zijn op zijn uitkering.
4.1. De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak in overweging 16. heeft overwogen. Ook de Raad is van oordeel dat het Uwv niet in strijd heeft gehandeld met het rechtszekerheidsbeginsel door de inkomsten van appellant met terugwerkende kracht bij de bepaling van de hoogte van zijn WAZ-uitkering te betrekken. Uit de rapportage van de arbeidsdeskundige B. van Dijk van 27 augustus 2001 en uit zijn brief aan appellant van dezelfde datum, komt naar voren dat de arbeidsdeskundige met appellant heeft besproken dat maximaal 10 uur doorwerken in zijn eigen bedrijf naar verwachting geen invloed zal hebben op zijn mate van arbeidsongeschiktheid. Blijkens deze stukken is deze verwachting ook gerelateerd aan de lage bedrijfswinst van appellant en is door de arbeidsdeskundige niet aangegeven dat hogere verdiensten of minder dan 10 uren werken in loondienst niet van invloed zullen zijn op de hoogte van de uitkering van appellant. Dat appellant mogelijk zelf hieruit heeft geconcludeerd dat inkomsten uit werkzaamheden als zelfstandige en in loondienst, zolang hij maar minder dan 10 uren per week zou werken, zijn uitkering niet zullen beïnvloeden, komt naar het oordeel van de Raad voor zijn rekening. Appellant had redelijkerwijs moeten beseffen dat de inkomsten van zijn werkzaamheden bij [naam bedrijf] in [vestigingsplaats], al dan niet in loondienst, gevolgen zouden kunnen hebben voor de hoogte van zijn WAZ-uitkering, ook nu appellant op de hoogte was van de hoogte van zijn maatmaninkomen. Dat appellant wel alle loongegevens altijd tijdig aan het Uwv heeft gezonden en het Uwv sneller had kunnen reageren dan in casu is gebeurd, kan hieraan niet afdoen. Het Uwv heeft daarom de betaling van de WAZ-uitkering terecht over de periode van 1 januari 2003 tot 26 maart 2005 gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.
4.2. Appellant heeft tegen de beslissing van de rechtbank omtrent het terugvorderingsbesluit geen zelfstandige grieven in hoger beroep aangevoerd.
5. Het vorenoverwogene leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd voor zover deze door appellant is aangevochten.
6. Voor een proceskostenveroordeling op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter, en R.C. Stam en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 september 2008.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) A.C. Palmboom.
RB