ECLI:NL:CRVB:2008:BF1884
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAZ-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als zelfstandig judoleraar, vroeg een WAZ-uitkering aan wegens vermoeidheidsklachten en suikerziekte. Het UWV wees de aanvraag af omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 25% werd geschat. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat het UWV terecht de uitkering had geweigerd.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het UWV onvoldoende medisch onderzoek had verricht, met name dat er geen MRI-scan was gemaakt en dat de behandelende artsen niet waren geraadpleegd. De Raad oordeelde dat het niet maken van een MRI-scan niet onzorgvuldig was en dat het niet raadplegen van behandelende artsen niet zonder meer onzorgvuldig is, zeker omdat niet was gebleken dat appellant onder behandeling was.
De Raad concludeerde dat de beperkingen van appellant zorgvuldig waren vastgesteld en dat hij in staat was de werkzaamheden te verrichten die bij de schatting hoorden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WAZ-uitkering bevestigd.