ECLI:NL:CRVB:2008:BF2085

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 augustus 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-2186 WVG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • S.R. Sharma
  • M.I. ’t Hooft
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.2 verordening WVG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering financiële tegemoetkoming voor gebruik eigen auto wegens adequate collectief vervoer

De appellant verzocht om een financiële tegemoetkoming voor het gebruik van zijn eigen auto vanwege medische beperkingen. Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad weigerde deze tegemoetkoming omdat uit medische en andere onderzoeksbevindingen bleek dat deelname aan collectief vervoer de goedkoopste en adequate vervoersvoorziening is.

De rechtbank oordeelde dat het College terecht heeft vastgehouden aan deze weigering. De adviserend arts had op basis van een uitgebreid onderzoek en informatie van behandelaars geconcludeerd dat er geen medische contra-indicaties zijn voor het gebruik van het collectief vervoer. De appellant heeft geen nieuwe medische stukken overgelegd die aanleiding geven tot twijfel aan dit oordeel.

De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en ziet geen reden om hiervan af te wijken. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van een financiële tegemoetkoming voor het gebruik van de eigen auto.

Uitspraak

P R O C E S - V E R B A A L
van de mondelinge uitspraak op 20 augustus 2008 van de
CENTRALE RAAD VAN BEROEP
enkelvoudige kamer
Datum: 20 augustus 2008
Aanvang: 11.30 uur
Zitting heeft: M.I. ’t Hooft, lid van de enkelvoudige kamer
griffier: S.R. Sharma
2e Zaak, reg.nr: 07/2186 WVG
Inzake: [Naam appellant] wonende te [woonplaats], niet verschenen, (hierna: appellant)
tegen
het College van burgermeester en wethouders van de gemeente Zaanstad, verschenen bij gemachtigde mr. J.P. Homan, (hierna: het College)
De rechtbank heeft geoordeeld dat het College bij het bestreden besluit van 3 mei 2006 terecht en op goede gronden heeft vastgehouden aan de weigering om appellant een financiële tegemoetkoming toe te kennen voor het gebruik van de eigen auto aangezien in zijn geval blijkens de aanwezige medische en andere onderzoeksbevindingen deelname aan het collectief vervoer de goedkoopste adequate vervoersvoorziening is.
Daartoe is bij de aangevallen uitspraak met vermelding van de toepasselijke regelgeving onder meer overwogen:
“Een voorziening kan slechts worden toegekend voor zover deze als goedkoopste adequate voorziening kan worden aangemerkt. Verweerder heeft in de verordening prioriteit verleend aan het stelsel van collectief vervoer, het AOV. Ingevolge artikel 3.2 van de verordening kan een gehandicapte voor een individuele vervoersvoorziening, zoals een financiële tegemoetkoming voor het gebruik van de eigen auto, in aanmerking worden gebracht wanneer aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het gebruik van het AOV onmogelijk maken (...)
Naar het oordeel van de rechtbank is het advies van de adviserend arts B.W. Evertse van 25 april 2006 zorgvuldig tot stand gekomen. De arts heeft eiser ten tijde van de aanvraag en in bezwaar weliswaar niet persoonlijk gezien, doch in het kader van de beoordeling van de aanvraag om een gehandicaptenparkeerkaart heeft er op 12 april 2005 uitgebreid onderzoek door deze arts plaatsgevonden en is vervolgens informatie ingewonnen bij de behandelaars van eiser. Gelet op de korte periode tussen beide aanvragen, het feit dat de arts reeds over informatie van de behandelende sector beschikte en eiser dezelfde klachten had, behoefde er niet nogmaals persoonlijk onderzoek te worden verricht en nadere informatie te worden opgevraagd. Voorts ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of de volledigheid van het advies. De arts heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van aandoeningen of beperkingen die een medische contra-indicatie vormen voor het gebruik maken van Wvg-vervoer dan wel voor verblijf/vervoer in de open buitenlucht. De rechtbank
stelt vast dat de door de arts vastgestelde diagnoses en beperkingen stroken met de informatie van de behandelend sector. Eiser heeft geen nieuwe medische stukken overgelegd die aanleiding geven voor twijfel aan de zorgvuldigheid van het onderzoek van de adviserend arts.”
Mede gezien de aan de adviserend arts bij zijn onderzoek ter beschikking staande gegevens, waaronder de door appellant in bezwaar ingezonden informatie van zijn acupuncturist, fysiotherapeut en huisarts, vindt de Raad in hetgeen door appellant in hoger beroep - zonder nadere medische adstructie - is aangevoerd geen aanknopingspunt om het oordeel van de rechtbank niet te volgen. De Raad onderschrijft de strekking van de in de aangevallen uitspraak opgenomen overwegingen.
De Raad ziet geen aanleiding voor veroordeling in de proceskosten.
De Raad beslist daarom als volgt.
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Waarvan proces-verbaal.
Utrecht, 20 augustus 2008
De plv. griffier. Het lid van de enkelvoudige kamer.
S.R. Sharma M.I. ’t Hooft
Voor eensluidend afschrift
de griffier van de
Centrale Raad van Beroep.