ECLI:NL:CRVB:2008:BF2239

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 september 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-1026 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
  • M.S.E. Wulffraat-van Dijk
  • J.F. Bandringa
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbZiektewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering terug te komen van rechtens onaantastbaar besluit Ziektewet

Appellant verzocht het UWV om terug te komen op het besluit van 11 augustus 2004 waarbij zijn ziekengeld werd beëindigd per 12 augustus 2004. Het UWV wees dit verzoek bij besluit van 7 november 2005 af en verklaarde het bezwaar ongegrond bij besluit van 1 juni 2006. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit bestreden besluit ongegrond, omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd die herziening rechtvaardigen.

In hoger beroep stelde appellant dat nieuwe feiten en omstandigheden bestonden, waaronder een arbeidskundig advies en een ziekenhuisopname in oktober 2004 wegens acute pancreatitis. De Raad oordeelde echter dat deze feiten geen nieuw licht werpen op de situatie ten tijde van de hersteldverklaring per 12 augustus 2004 en dat het arbeidskundig advies niet relevant was vanwege het andere toetsingskader en de latere datum.

Ook het bezwaar dat verzekeringsarts Lezaire ten onrechte bij de beoordeling was betrokken, werd verworpen omdat in de bezwaarprocedure een andere verzekeringsarts was betrokken. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en zag geen grond voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het UWV en wijst het hoger beroep af wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

07/1026 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 31 januari 2007, 06/3611 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 24 september 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.L. Gelens, advocaat te Berkel-Enschot, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2008. Appellant en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.M.W. van der Helm.
II. OVERWEGINGEN
1.1. De Raad neemt als vaststaand aan de feiten die de rechtbank in de aangevallen uitspraak als vaststaand heeft aangenomen. De Raad volstaat met het volgende.
1.2. Bij besluit van 7 november 2005 heeft het Uwv geweigerd terug te komen van het besluit van 11 augustus 2004 ter uitvoering van de Ziektewet, waarbij appellant met ingang van 12 augustus 2004 geen ziekengeld meer werd toegekend.
1.3. Bij besluit van 1 juni 2006, hierna: bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 november 2005 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv het verzoek van appellant terecht heeft aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het rechtens onaantastbaar geworden besluit van 11 augustus 2004 en dat de rechtbank zich volgens de jurisprudentie van de Raad dient te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. De rechtbank heeft geoordeeld dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de hersteldverklaring per 12 augustus 2004 onjuist is geweest. Het in beroep door appellant overgelegd arbeidskundig advies heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel geleid, omdat hieraan een ander toetsingskader ten grondslag lag en op een datum twee jaar na de in geding zijnde datum zag. Ook heeft de rechtbank het standpunt van appellant dat de verzekeringsarts P. Lezaire ten onrechte bij de beoordeling betrokken is geweest niet onderschreven.
3. In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat sprake was van nieuwe feiten en omstandigheden, op grond waarvan de verzekeringsarts van het Uwv niets anders had kunnen doen dan appellant (vanaf 12 augustus 2004) ongeschikt verklaren tot het verrichten van zijn arbeid.
4. Hetgeen namens appellant in hoger beroep naar voren is gebracht brengt de Raad niet tot een ander oordeel dan de rechtbank. De Raad ziet geen aanknopingspunten om het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsarts, dat de ziekenhuisopname van appellant in oktober 2004 vanwege acute pancreatitis geen nieuw licht werpt op de gezondheidstoestand van appellant ten tijde van zijn hersteldverklaring per 12 augustus 2004, voor onjuist te houden. Voorts ziet ook de Raad geen beletselen voor de beoordeling door de verzekeringsarts Lezaire, te meer nu, zoals ook de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen, in de bezwaarfase een andere (bezwaar)verzekeringsarts bij de beoordeling betrokken is geweest.
5. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 september 2008.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) W.R. de Vries.
TM