ECLI:NL:CRVB:2008:BF3252

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 september 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-4205 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:18 AwbArt. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing over herroeping WAO-uitkeringsbesluit en vergoeding wettelijke rente

Appellant ging in hoger beroep tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering met ingang van 12 maart 2006 te beëindigen en tegen de afwijzing van zijn verzoek tot vergoeding van proceskosten. De rechtbank had het besluit vernietigd en het UWV opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tijdens het hoger beroep herroept het UWV het oorspronkelijke besluit en handhaaft de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80-100% per 12 maart 2006.

De Raad stelt vast dat appellant geen belang meer heeft bij de medische beroepsgrond, omdat het UWV het besluit herroepen heeft en de uitkering onveranderd is gebleven. Wel blijft het belang bestaan bij de vergoeding van wettelijke rente over de na te betalen uitkering, omdat het UWV met de herroeping de onrechtmatigheid erkent.

Het verzoek van appellant om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand wordt afgewezen omdat hij dit pas op 11 juni 2007 heeft gevraagd en daarna geen proceshandelingen meer heeft verricht die voor vergoeding in aanmerking komen. De Raad veroordeelt het UWV tot betaling van wettelijke rente over de na te betalen uitkering en ziet geen aanleiding om het UWV te veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het beroep tegen de kostenvergoeding wordt ongegrond verklaard en het UWV wordt veroordeeld tot betaling van wettelijke rente over de na te betalen uitkering.

Uitspraak

07/4205 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 5 juni 2007, 06/6127 (hierna: de aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 26 september 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.P.G. de Wit, advocaat te ‘s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een besluit van 30 november 2007 overgelegd.
Namens appellant is op het verweer gereageerd bij brief van 24 december 2007.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2008. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. A.J. Verdonk.
II. OVERWEGINGEN
1.1 Het inleidende beroep is gericht tegen het besluit van 14 juli 2006 ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Hierbij heeft het Uwv gehandhaafd zijn besluit van 12 januari 2006 tot beëindiging van de eerder naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100% berekende WAO-uitkering van appellant met ingang van 12 maart 2006.
2.1 De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het besluit van 14 juli 2006 vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellant met bepalingen over de vergoeding van proceskosten en griffierecht. Appellant is in hoger beroep gekomen tegen de verwerping van de door hem tegen de medische component van het bestreden besluit aangevoerde beroepsgrond.
2.2 In de loop van het hoger beroep heeft het Uwv met zijn ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 30 november 2007 zijn besluit van 12 januari 2006 herroepen en appellant onveranderd per 12 maart 2006 ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 80-100%. Het Uwv heeft het verzoek tot vergoeding van de in bezwaar gevallen kosten afgewezen.
3. Tussen partijen is niet in geschil, en ook de Raad gaat daar van uit, dat appellant niet eerder dan op 11 juni 2007 aan het Uwv heeft gevraagd om de vergoeding van de door hem in bezwaar gemaakte kosten voor de hem verleende rechtsbijstand. Evenmin is tussen partijen in geschil dat na dat verzoek geen voor vergoeding in aanmerking komende proceshandelingen zijn verricht.
4.1 Met het besluit van 30 november 2007 is volledig tegemoet gekomen aan de vordering van appellant voor wat betreft de hoogte van de hem toekomende WAO-uitkering. Dat deel van het besluit staat daarom niet ter beoordeling van de Raad.
4.2.1 Het hoger beroep van appellant was oorspronkelijk gericht op de herroeping van het besluit 12 januari 2006 op medische gronden. Het Uwv heeft gaandeweg het hoger beroep dat besluit herroepen op arbeidskundige gronden. Het belang van appellant bij de bespreking van de door hem in hoger beroep opnieuw opgeroepen medische beroepsgrond is door het herstel van de hem eerder toegekende, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van meer dan 80% berekende WAO-uitkering komen te vervallen.
4.2.2. Appellant heeft echter wel een belang behouden bij de beoordeling van zijn verzoek om het Uwv te veroordelen in de door hem geleden schade. Dat verzoek kan worden toegewezen. Met de herroeping van het besluit van 12 januari 2006 heeft het Uwv de onrechtmatigheid van dat besluit erkend. De Raad zal bepalen dat het Uwv de wettelijke rente over de na te betalen uitkering zal vergoeden overeenkomstig zijn uitspraak van 1 november 1995, LJN ZB1495.
4.3.1 De Raad zal met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 in verbinding met artikel 6:24 van Pro de Algemene wet bestuursrecht het beroep mede gericht achten tegen het besluit van 30 november 2007 in zoverre daarbij de door appellant gevraagde kostenvergoeding is afgewezen. Dit betreft immers een volledig annex besluitonderdeel.
4.3.2 Voordat het besluit van 30 november 2007 is gegeven heeft appellant gevraagd om vergoeding van de kosten van de hem in bezwaar verleende rechtsbijstand. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 24 januari 2007, LJN AZ8873, al heeft overwogen kan dat verzoek van 11 juni 2007 enkel betrekking hebben op de na die datum in bezwaar gevallen kosten. Na die datum zijn echter geen voor vergoeding in aanmerking komende proceshandelingen meer verricht. Dat betekent dat het Uwv het verzoek om kostenvergoeding terecht heeft afgewezen.
4.4 De Raad ziet geen aanleiding tot een veroordeling in de proceskosten van het hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij het de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is opgedragen een nieuw besluit te nemen;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 30 november 2007, voor zover in het geding betrokken, ongegrond;
Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van wettelijke rente over de na te betalen uitkering op de wijze als hiervoor is vermeld.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en
A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van
M.W.A. Schimmel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 september 2008.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) M.W.A. Schimmel.
TM