ECLI:NL:CRVB:2008:BF4346
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C.M. van Laar
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking recht op ziekengeld wegens ontbreken medische toename beperkingen
Appellant, die sinds 1999 arbeidsongeschikt was wegens psychische klachten, kreeg aanvankelijk een WAO-uitkering toegekend. Na een herbeoordeling in 2005 trok het UWV deze uitkering in. Appellant meldde zich ziek in augustus 2005 en bezocht een verzekeringsarts die concludeerde dat zijn beperkingen niet waren toegenomen en dat hij geschikt was voor psychisch niet belastend werk.
Het UWV besloot daarop in december 2005 het recht op ziekengeld te beëindigen. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard op basis van een medisch rapport waarin werd bevestigd dat er geen toename van beperkingen was. Appellant voerde aan dat hij niet wist dat tijdens de hoorzitting een medisch onderzoek kon plaatsvinden en was niet verschenen.
De Raad oordeelde dat uit de uitnodiging voor de hoorzitting niet bleek dat geen medisch onderzoek zou plaatsvinden en dat het niet verschijnen van appellant geen reden was om de procedure onzorgvuldig te achten. Omdat appellant geen nieuwe medische feiten aanvoerde, bevestigde de Raad het besluit van het UWV om het recht op ziekengeld te beëindigen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het UWV om het recht op ziekengeld per 5 december 2005 in te trekken wegens het ontbreken van medische toename van beperkingen.