ECLI:NL:CRVB:2008:BF4591
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Verzekeringsplicht bij exploitatie prostitutiebedrijf via kamerverhuur en privaatrechtelijke dienstbetrekking
In deze zaak staat de vraag centraal of tussen appellant, exploitant van een prostitutiebedrijf via kamerverhuur, en appellante, werkzaam als prostituee, een privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond die verzekeringsplicht op grond van sociale werknemersverzekeringswetten opleverde.
De Raad concludeert op basis van onderzoeksgegevens en gevestigde rechtspraak dat er een geordende geïntegreerde organisatie was waarbij appellant als vergunninghouder en exploitant toezicht hield op de werkzaamheden van appellante. Dit toezicht omvatte onder meer openingstijden, controle op registratie en netheid, screening bij aanvang van werkzaamheden en naleving van vergunningvoorwaarden. Appellante was afhankelijk van appellant voor huisvesting en kon niet vrijelijk anderen toelaten in haar gehuurde ruimte.
Het Uwv had op grond van een bedrijfsbezoek vastgesteld dat appellante verplicht verzekerd was vanaf 12 juni 2002. Dit standpunt werd door de rechtbank bevestigd en in hoger beroep gehandhaafd. De Raad stelt dat de betalingen die appellante ontving na aftrek van kamerverhuur als directe beloning voor arbeid moeten worden gezien binnen het organisatorische kader van appellant als werkgever. Het beroep op algemene beginselen van behoorlijk bestuur en op een eerder rapport van de Belastingdienst wordt verworpen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de verzekeringsplicht en verklaart de beroepen van appellant en appellante ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De verzekeringsplicht van appellante op grond van sociale werknemersverzekeringswetten wordt bevestigd vanaf 12 juni 2002.