ECLI:NL:CRVB:2008:BF5312
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-woonachtig zijn op opgegeven adres
Appellante ontving sinds 1995 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na een onderzoek van de sociale recherche Flevoland ontstond het vermoeden dat zij niet woonachtig was op het opgegeven adres in Almere. Appellante schreef zich in april 2006 uit uit de gemeentelijke basisadministratie van Almere en schreef zich in op een ander adres waar zij een huurwagen bewoonde.
Het College van burgemeester en wethouders van Almere trok de bijstand over de periode van 1 juni 2003 tot 1 april 2006 in en vorderde de kosten van bijstand terug, omdat appellante vanaf 1 juni 2003 niet meer woonachtig was in Almere. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellante ging in hoger beroep.
De Raad stelde vast dat de woonwagen van appellante in Almere was afgebroken en naar Amsterdam was vervoerd, waar haar dochter deze gebruikte. Appellante verbleef afwisselend bij familie in Amsterdam, Harderwijk en Haarlem en had geen woonplaats meer in Almere. Omdat appellante het College niet op de hoogte had gesteld van haar gewijzigde woonplaats, schond zij haar inlichtingenverplichting. De Raad oordeelde dat het College terecht de bijstand had ingetrokken en teruggevorderd, en dat het beleid van het College niet onredelijk was. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens het ontbreken van woonplaats in Almere werd bevestigd.