ECLI:NL:CRVB:2008:BF6524
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging invordering onverschuldigd betaalde AOW met jaarlijkse betaling en verrekening vakantie-uitkering
Appellante ontving onterecht een te hoog AOW-pensioen omdat zij sinds maart 2001 een kleindochter in huis had, waardoor haar pensioen werd herzien naar het lagere bedrag voor een gezamenlijke huishouding. De Sociale verzekeringsbank (Svb) vorderde het te veel betaalde bedrag van € 8.642,07 terug, waarbij aanvankelijk werd bepaald dat appellante jaarlijks in maart € 648,38 zou betalen. Na bezwaar werd dit gewijzigd in een maandelijkse verrekening.
De Centrale Raad van Beroep vernietigde deze maandelijkse verrekening vanwege onjuiste berekening en beval een nieuwe beslissing. Bij het bestreden besluit bepaalde de Svb dat appellante jaarlijks in april € 895,56 moest betalen en dat jaarlijks in mei de AOW vakantie-uitkering bruto verrekend zou worden.
Appellante voerde aan dat het te betalen bedrag hoger was dan het eerder verrekende bedrag en dat zij bezwaar had tegen de wijziging van de betalingstermijn en het bedrag. De Raad oordeelde dat de Svb terecht de betalingstermijn en het bedrag had vastgesteld op basis van een berekening van de aflossingscapaciteit van appellante, die alleen in april en mei voldoende ruimte bood.
De Raad stelde vast dat de wijziging van het bedrag ook buiten de bezwaarprocedure mogelijk was en dat een nadeliger beslissing bij bezwaar is toegestaan volgens artikel 7:11 Awb Pro. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Proceskostenvergoeding werd niet toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Svb terecht jaarlijks in april een bedrag mag invorderen en in mei de vakantie-uitkering mag verrekenen.