ECLI:NL:CRVB:2008:BF7401

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 oktober 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-6920 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WWArt. 8 onderdeel h Vreemdelingenwet 2000Art. 14 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WW-uitkering wegens ontbreken geldige verblijfsvergunning

Appellant had een WW-uitkering aangevraagd, maar deze werd geweigerd omdat hij op de peildatum 3 oktober 2005 niet beschikte over een geldig verblijfsdocument. De aanvraag tot verlenging van zijn verblijfsvergunning was eerder afgewezen en hij had geen geldige tewerkstellingsvergunning. Zijn laatste dienstverband was beëindigd op 2 oktober 2005.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat hij geen werknemer was in de zin van artikel 3 van Pro de WW en ook niet als verzekerde kon worden aangemerkt. Appellant verkeerde niet in een situatie waarin hij de uitkomst van een bezwaarprocedure op grond van een rechterlijke beslissing mocht afwachten.

De Centrale Raad van Beroep sluit zich aan bij de overwegingen van de rechtbank en bevestigt de weigering van de WW-uitkering. Een latere aanvraag over een periode vanaf 24 mei 2006 lag niet ter beoordeling in deze procedure. Er zijn geen gronden voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WW-uitkering bevestigd.

Uitspraak

07/6920 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 november 2007, 06/7848 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 2 oktober 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.G. Evers, advocaat te Leiden, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2008. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Evers, voornoemd. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door W.H.M. Visser, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij primair besluit van 20 juni 2006 is aan appellant medegedeeld dat hij met ingang van de in geding zijnde datum 3 oktober 2005 geen WW-uitkering kan krijgen, omdat hij geen geldig verblijfsdocument heeft.
1.2. Bij besluit van 22 augustus 2006 is het bezwaar hiertegen ongegrond verklaard en is het primaire besluit gehandhaafd. Daarin is aangegeven dat appellant erkent dat hij ten tijde in geding niet meer over een geldig verblijfsdocument beschikte, nadat bij beschikking van 22 oktober 2003 van de IND zijn aanvraag van 18 november 2001 tot verlenging van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 was afgewezen. Daarnaast verrichtte appellant ten tijde in geding niet langer arbeid in loondienst en bezat hij geen geldige tewerkstellingsvergunning. Zijn laatste dienstverband via [werkgever] te [vestigingsplaats] liep van 1 oktober 2002 tot 2 oktober 2005 en was ten tijde in geding beëindigd.
Nu daardoor vaststaat dat appellant op 3 oktober 2005 niet als werknemer in de zin van artikel 3 van Pro de WW kan worden aangemerkt, is appellant op de datum in geding niet voor de WW verzekerd en kan hij niet voor een WW-uitkering in aanmerking komen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard. Daarin heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant geen werknemer was in de zin van artikel 3 van Pro de WW en evenmin anderszins als verzekerde voor de WW was aan te merken. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant op
3 oktober 2005 noch beschikte over een geldige verblijfsvergunning, noch verkeerde in een situatie waarin hij gelet op onderdeel h van artikel 8 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 de uitkomst van de bezwaarprocedure op grond van een rechterlijke beslissing mocht afwachten.
3. Namens appellant is in essentie met dezelfde motivering als in eerste aanleg tegen de uitspraak hoger beroep aangetekend.
4.1. De Raad overweegt op grond van hetgeen hem uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken als volgt.
4.2. De Raad verenigt zich met de overwegingen en het eindoordeel van de aangevallen uitspraak en maakt beide tot de zijne, omdat een juiste toepassing van artikel 3 van Pro de WW en in het bijzonder artikel 8, onderdeel h, van de Vreemdelingenwet 2000 tot geen andere redengeving en uitkomst kan leiden.
4.3. De Raad voegt hieraan nog toe dat appellant op de datum in geding 3 oktober 2005 onmiskenbaar en onbetwist door partijen niet rechtmatig hier te lande verbleef. Aan de eerste in hoger beroep betrokken stelling dat appellant over de periode van 24 mei 2006 tot en met 3 oktober 2007 recht op een WW-uitkering heeft, gaat de Raad voorbij, reeds omdat een op die periode betrekking hebbende aanvraag in dit geding niet voorligt en de besluitvorming van het Uwv bij uitstek 3 oktober 2005 tot peildatum heeft. Over een eventuele aanspraak op WW-uitkering per 24 mei 2006 kan de Raad in dit geding dan ook niet oordelen.
5. Op grond van het vorenstaande slaagt het hoger beroep van appellant niet en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
6. Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en S.K. Welbedacht als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2008.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) M. Pijper.
IJ