ECLI:NL:CRVB:2008:BF7413
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Riphagen
- C.P.M. van de Kerkhof
- H. Bedee
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens geschiktheid voor eigen werk
Appellant was sinds 1 december 1989 werkzaam als administratief medewerker en werd op 7 oktober 2002 wegens nekklachten en vermoeidheidsklachten gedeeltelijk arbeidsongeschikt verklaard. Het UWV kende hem een WAO-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 25 tot 35%. Later trok het UWV de uitkering per 6 december 2005 in, omdat appellant volgens medisch en arbeidskundig onderzoek geschikt werd geacht voor zijn eigen werk.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze intrekking ongegrond. Appellant ging in hoger beroep, maar verscheen niet bij de zitting. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de belastbaarheid van appellant juist was vastgesteld en dat de medische en arbeidskundige rapporten voldoende onderbouwd waren. De diagnose ADHD met dysthyme stoornis was niet bepalend voor de arbeidsbeperkingen, maar het klachtenpatroon en functioneren.
De Raad stelde vast dat appellant zijn werkzaamheden had uitgebreid tot 30 uur per week en dat hij geschikt was voor zijn eigen functie als administratief medewerker voor 40 uur. Er waren geen bijzondere omstandigheden die dit oordeel konden veranderen. Daarom was er geen sprake van arbeidsongeschiktheid en hoefde de Raad niet te oordelen over geschiktheid voor andere functies of diploma-eisen. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat appellant geschikt is voor zijn eigen werk en niet arbeidsongeschikt is.