ECLI:NL:CRVB:2008:BF7599
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering bijstand wegens vermeende productieve arbeid niet gerechtvaardigd
Appellante ontving sinds 1985 bijstand en verrichtte vanaf 1991 werkzaamheden als schoonmaakster. Na arbeidsongeschiktheid werd bijstand voortgezet naast haar uitkering. Naar aanleiding van een anonieme tip werd een onderzoek ingesteld naar haar werkzaamheden bij een bedrijf aan een adres te ’s-Gravenhage. Het College beëindigde de bijstand per 1 oktober 2005 en vorderde terugbetaling over de periode 2001-2005.
De Raad stelde vast dat de beoordeling zich uitstrekte over de periode 1 december 2001 tot 25 oktober 2005. Uit het onderzoek bleek dat appellante vanwege een affectieve relatie dagelijks aanwezig was bij het bedrijf, waar zij huishoudelijke handelingen verrichtte, maar geen productieve arbeid die een minimumloon rechtvaardigde. De bedrijfsruimte was klein en er was slechts één werknemer.
De Raad oordeelde dat het College onvoldoende motivering had gegeven voor de intrekking en terugvordering van bijstand. Het besluit van 9 maart 2006 werd vernietigd en de eerdere besluiten van 25 oktober 2005 en 9 november 2005 werden herroepen. Tevens werd het College veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente en kosten van appellante.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de besluiten tot intrekking en terugvordering van bijstand worden vernietigd en herroepen.