ECLI:NL:CRVB:2008:BF9267

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 september 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-5861 WVG
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.I. ’t Hooft
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Wvg
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onverbindendverklaring gemeentelijke besparingsbijdrage bij verstrekking scootmobiel

In deze zaak stond de vraag centraal of een gemeentebestuur een besparingsbijdrage mag heffen bij de verstrekking van een scootmobiel op grond dat de voorziening leidt tot kostenbesparing voor openbaar vervoer. De rechtbank Zwolle-Lelystad had het beroep van appellante gegrond verklaard en het besluit tot heffing van de bijdrage vernietigd.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat krachtens artikel 6 van Pro de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) alleen op die grondslag een financiële bijdrage bij verstrekking van een voorziening in natura kan worden geheven. De gemeentelijke verordening die een besparingsbijdrage oplegt, is daarmee in strijd en dus onverbindend.

De Raad benadrukte dat de vrijheid van het gemeentebestuur om een ritprijs te heffen voor collectief vervoer, zoals eerder is geoordeeld, niet gelijkgesteld kan worden met het opleggen van een bijdrage aan de gehandicapte bij verstrekking van een voorziening. De uitspraak bevestigt de vernietiging van het besluit en draagt het College op een nieuw besluit te nemen.

Daarnaast veroordeelde de Raad het College tot vergoeding van de proceskosten en legde griffierecht op. Hiermee is duidelijk gesteld dat een besparingsbijdrage bij verstrekking van een scootmobiel niet is toegestaan buiten de wettelijke grondslag van artikel 6 Wvg Pro.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart de gemeentelijke besparingsbijdrage bij verstrekking van een scootmobiel onverbindend en bevestigt vernietiging van het besluit.

Uitspraak

P R O C E S - V E R B A A L
van de mondelinge uitspraak ter openbare zitting op 5 september 2008
CENTRALE RAAD VAN BEROEP
enkelvoudige kamer
Datum: 5 september 2008
Aanvang: 10:15 uur
Zitting heeft: M.I. ‘t Hooft, als voorzitter,
griffier: C. de Blaeij
2e Zaak, reg.nr.:06 / 5861 WVG
Inzake: [Naam appellante] wonende te [woonplaats], appellante, in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 28 augustus 2006, 06/5861 WVG (hierna: aangevallen uitspraak), gemachtigde M.J.G. Lammers, met bericht van verhindering niet verschenen,
tegen
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verschenen bij C. van Woudenberg, werkzaam bij de gemeente Almere (hierna: het College).
De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen de bij het besluit van 19 augustus 2005 gehandhaafde heffing van een besparingsbijdrage bij de verstrekking van een scootmobiel gegrond verklaard met vernietiging van het bestreden besluit en opdracht tot het nemen van een nieuw besluit op bezwaar en met bepalingen over het griffierecht en de proceskosten.
De Raad overweegt dat in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: de Wvg), zoals die wet destijds luidde, voor het heffen van een financiële bijdrage bij het verstrekken van een voorziening in natura, uitsluitend grondslag kan worden gevonden in het bepaalde bij en krachtens artikel 6 van Pro de Wvg. De wet voorziet er niet in dat bij verordening in plaats dan wel naast de in artikel 6 van Pro de Wvg bedoelde bijdrage een aan het gemeentebestuur verschuldigde (besparings)bijdrage van de gehandicapte wordt geheven op de grond dat het toekennen van de voorziening in natura tot besparing leidt van kosten die een ieder voor (openbaar) vervoer moet maken. Artikel 3.3 van de Verordening voorzieningen
gehandicapten Almere 2003, waarin de verschuldigdheid van een besparingsbijdrage bij de verstrekking van onder meer een scootmobiel is neergelegd, is mitsdien onverbindend wegens strijd met de wet. Daaraan doet niet af dat het een gemeentebestuur vrijstaat, naar de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 31 oktober 1997, LJN ZB7346, om te bepalen dat voor gebruikmaking van collectief vervoer (CV) een met het tarief voor openbaar vervoer vergelijkbare ritprijs verschuldigd is op de grond dat een ieder kosten moet maken voor gebruik van middelen van (openbaar) vervoer. De voor het gebruik van het CV aan de vervoerder verschuldigde ritprijs, zoals in die zaak en in daarmee vergelijkbare gevallen aan de orde, kan niet op een lijn worden gesteld met een door het gemeentebestuur bij besluit aan de gehandicapte opgelegde bijdrage voor dat vervoer. Hetgeen het College onder meer en met name met een beroep op de uitspraak van 31 oktober 1997, LJN ZB7346 heeft aangevoerd ziet voorbij aan de - op specifieke situaties als in dat geding aan de orde toegesneden - strekking van die uitspraak en aan de hiervoor vermelde reikwijdte van artikel 6 van Pro de Wvg, zoals de Raad onlangs heeft overwogen in zijn uitspraak van 4 juni 2008, LJN BD4172.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen bevestigt de Raad de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden;
De Raad draagt het College op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming
van deze uitspraak;
De Raad veroordeelt het College tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep van appellante, in het totaal € 322,-- te betalen door de gemeente Almere en bepaalt dat van de gemeente Almere een griffierecht van € 422,-- wordt geheven.
De voorzitter sluit het onderzoek.
Waarvan proces-verbaal.
Utrecht, 5 september 2008
De plv. griffier. De fungerend voorzitter.
C. de Blaeij M.I. ‘t Hooft
Voor eensluidend afschrift
de griffier van de
Centrale Raad van Beroep.
IJ