ECLI:NL:CRVB:2008:BF9493
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van oordeel dat appellant niet medisch ongeschikt is voor arbeid na ziekmelding
Appellant meldde zich op 1 juli 2005 ziek vanuit een uitkeringssituatie wegens psychische klachten. Hij had kort daarvoor als reclasseringsmedewerker gewerkt via een uitzendbureau. Het UWV besloot op 9 februari 2006 dat appellant vanaf 1 maart 2006 niet langer recht had op ziekengeld omdat hij niet meer ongeschikt was voor arbeid op medische gronden.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd op 13 maart 2006 ongegrond verklaard. De rechtbank vernietigde dit besluit omdat het UWV volgens haar had gehandeld in strijd met de Ziektewet en het Reglement behandeling bezwaarschriften. Desondanks liet de rechtbank het besluit in stand vanwege de rechtsgevolgen en oordeelde dat appellant voldoende gelegenheid had gehad zijn standpunt toe te lichten en dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd.
De Centrale Raad van Beroep sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank. De Raad stelt vast dat appellant vooral frustraties uit over zijn langdurige werkloosheid, maar dat dit geen medische grond is om ongeschiktheid voor arbeid aan te nemen. Er is geen aanleiding voor nader medisch onderzoek en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant sinds 1 maart 2006 niet medisch ongeschikt is voor arbeid.