ECLI:NL:CRVB:2008:BF9495
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering visusbeperkingen
Appellant viel sinds januari 2001 uit wegens psychische klachten en visusproblemen, waaronder nystagmus. Het UWV kende hem een WAO-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%, maar trok deze in per 30 oktober 2005. Appellant maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard door het UWV en bevestigd door de rechtbank Arnhem.
In hoger beroep voerde appellant aan dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn psychische en visuele beperkingen. De Raad stelde vast dat de psychische beperkingen adequaat waren meegenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), maar dat de motivering omtrent de visuele beperkingen onvoldoende was, mede omdat enkele functies pas in hoger beroep werden vervallen na nadere toelichting.
De Raad oordeelde dat het bestreden besluit niet deugdelijk was gemotiveerd en vernietigde het, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit ongewijzigd. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten en griffierecht van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.