ECLI:NL:CRVB:2008:BG3686

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 oktober 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-5424 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H.R. Geerling-Brouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 3 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag uitkering vervolgingsslachtoffer wegens niet voldoen aan vervolgings- en nationaliteitsvereisten

Appellant, geboren in het voormalige Nederlands-Indië, vroeg in augustus 2006 een periodieke uitkering aan op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Hij stelde dat zijn vader tijdens de Japanse bezetting als krijgsgevangene was omgekomen. Verweerster wees de aanvraag af omdat appellant geen vervolging in de zin van de Wet had ondergaan en niet voldeed aan de vereisten van nationaliteit en woonplaats.

De Raad overwoog dat onder vervolging wordt verstaan vrijheidsberoving door de vijandelijke bezettende macht gericht tegen personen van Europese afkomst of gezindheid, met het oog op beëindiging van het leven of permanente bewaking. Appellant had geen vrijheidsberoving ondergaan. Ook voldeed hij niet aan de nationaliteits- en woonplaatsvereisten die voor uitkering gelden.

De Raad oordeelde dat verweersters weigering om appellant met de vervolgde gelijk te stellen op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wet terecht was. Er was geen sprake van een klaarblijkelijke hardheid die gelijkstelling zou rechtvaardigen. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot afwijzing van de uitkeringsaanvraag blijft in stand.

Uitspraak

07/5424 WUV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (Indonesië) (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 23 oktober 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 5 juli 2007, kenmerk BZ 47019, JZ/P60/2007, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2008. Daar is appellant niet verschenen en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Blijkens de gedingstukken heeft appellant, geboren in [geboortejaar] in het voormalige Nederlands-Indië, in augustus 2006 bij verweerster een aanvraag ingediend om hem op grond van de Wet, onder meer, een periodieke uitkering toe te kennen. In dat verband heeft appellant gesteld dat tijdens de Japanse bezetting zijn vader als krijgsgevangene op Bougainville (Solomons-eilanden) is omgekomen.
1.1. Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit 12 januari 2007, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat appellant geen vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan en voorts niet met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde kan worden gelijkgesteld nu niet is voldaan aan de in artikel 3, eerste lid, van de Wet gestelde voorwaarden van nationaliteit en woonplaats.
2. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen partijen in beroep hebben aangevoerd, in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
2.1. In artikel 2 van Pro de Wet is bepaald dat, voor zover hier van belang, onder vervolging wordt verstaan: handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht van het voormalige Nederlands-Indië, welke werden gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun Europese afkomst of Europees georiënteerde of gezinde instelling en welke hebben geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratie-kampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen, waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd.
2.2. Op grond van de stukken staat vast en wordt door appellant ook niet betwist, dat appellant geen vrijheidsberoving in de zin van de Wet heeft ondergaan.
2.3. Met betrekking tot verweersters weigering om appellant met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde gelijk te stellen, overweegt de Raad het volgende.
2.4. Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wet is verweerster bevoegd de persoon die vervolging heeft ondergaan, maar niet voldoet aan de vereisten bedoeld in het eerste lid van artikel 3 van Pro de Wet, dan wel de persoon die voldoet aan de vereisten van even-vermeld eerste lid en tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 in omstandigheden verkeerde welke overeenkomsten vertonen met vervolging, met de vervolgde gelijk te stellen indien het niet toepassen van de Wet ten aanzien van deze persoon een klaarblijkelijke hardheid zou zijn. Hieruit volgt dat gelijkstelling niet kan plaatsvinden indien zowel aan artikel 2 als Pro aan artikel 3, eerste lid, van de Wet niet is voldaan.
2.5. Nu appellant geen vervolging in de zin van artikel 2 van Pro de Wet heeft ondergaan en tevens vaststaat dat appellant niet voldoet aan de vereisten van nationaliteit en woonplaats als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet, is de Raad van oordeel dat de weigering van verweerster om appellant met de vervolgde gelijk te stellen op goede gronden berust.
2.6. Gezien het voorgaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond, zodat dit besluit in rechte kan standhouden.
3. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven een het bepaalde in artikel 8:75 va Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op
23 oktober 2008.
(get.) H.R. Geerling-Brouwer.
(get.) M. van Berlo.
HD