ECLI:NL:CRVB:2008:BG3770
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beslissing over ingangsdatum bijstandsnorm wijziging na beëindiging gezamenlijke huishouding
Appellant ontving bijstand naar de norm voor een alleenstaande, maar deze werd per 1 november 2003 beëindigd omdat hij een gezamenlijke huishouding voerde met zijn partner. Dit besluit werd in rechte bevestigd. In juli 2005 verzocht appellant om terugkeer naar de alleenstaande norm, maar dit werd afgewezen wegens gebrek aan gewijzigde omstandigheden.
In september 2005 meldde de partner zich aan voor bijstand als alleenstaande en verklaarde dat appellant haar had verlaten. Dit leidde tot een herziening van de bijstandsnorm van appellant met terugwerkende kracht tot 20 september 2005. Appellant stelde dat deze ingangsdatum onjuist was omdat hij eerder een wijziging had aangevraagd en de situatie gelijk was aan die in 2003.
De Raad oordeelde dat van een eerdere aanvraag dan die van 11 juli 2005 geen bewijs was geleverd en dat de kopieën die appellant aanvoerde onvoldoende bewijskracht hadden. Het DB had bovendien redelijk gehandeld door de terugwerkende kracht te beperken tot de datum waarop de partner haar bijstand als alleenstaande kreeg, gebaseerd op specifiek onderzoek.
De verklaring van de getuige over het al dan niet overnachten van appellant was niet relevant voor de beoordeling. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.