ECLI:NL:CRVB:2008:BG3785
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ziekengeld wegens geschiktheid voor arbeid ondanks rug- en knieklachten
Appellant, voorheen automonteur, ontving sinds september 2003 een WW-uitkering en meldde zich ziek in maart 2005 vanwege rug- en knieklachten. Na onderzoek door een verzekeringsarts en een bezwaarverzekeringsarts werd hij per 5 juli 2006 geschikt geacht voor arbeid en werd zijn ziekengeld beëindigd.
Appellant voerde aan ongeschikt te zijn vanwege hevige rugpijn en beperkingen, maar de bezwaarverzekeringsarts concludeerde op basis van uitgebreid medisch onderzoek en rapportages van reumatoloog en neuroloog dat er geen ernstige pathologie was en dat de klachten onvoldoende beperkend waren. De Raad stelde vast dat de medische beoordeling zorgvuldig was en dat de informatie van de behandelaars onvoldoende aanleiding gaf om de conclusie van geschiktheid te betwijfelen.
Ook de door appellant ingebrachte informatie over armklachten en een rapportage van een bedrijfsarts in het kader van de WSW werden door de Raad niet als voldoende bewijs gezien om de eerdere conclusies te herzien. De Raad bevestigde daarom het besluit tot beëindiging van het ziekengeld en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld wordt bevestigd.