ECLI:NL:CRVB:2008:BG4005
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C.M. van Laar
- P.J. Jansen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens voldoende medische en arbeidskundige grondslag
Appellant meldde zich in 1999 ziek vanwege rugklachten en ontving vanaf 2000 een WAO-uitkering van 80-100% arbeidsongeschiktheid. In 2005 beoordeelde een verzekeringsarts zijn beperkingen en stelde een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) op, waarna een arbeidsdeskundige geschikte functies selecteerde waarmee appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt zou zijn. Het UWV trok daarop de WAO-uitkering per september 2005 in.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV werd afgewezen. De rechtbank vernietigde het besluit vanwege onvoldoende zorgvuldige voorbereiding in de bezwaarfase, maar liet de rechtsgevolgen in stand na een gemotiveerde heroverweging in beroep. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en oordeelt dat het UWV voldoende medische en arbeidskundige gronden heeft voor de intrekking.
De Raad acht het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig en sluit zich aan bij de diagnose van chronische lumbago met geringe degeneratieve afwijkingen. De bezwaararbeidsdeskundige heeft de geschiktheid van drie functies nader toegelicht en gemotiveerd. Nieuwe medische verklaringen van appellant bieden geen aanleiding tot herziening. De Raad ziet geen noodzaak voor een onafhankelijk medisch deskundige en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering wegens voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing.