ECLI:NL:CRVB:2008:BG4524
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C.M. van Laar
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende toelichting arbeidsdeskundig onderzoek
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80-100%, met ingang van 22 december 2004 in te trekken. Na een verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige heroverweging verklaarde het UWV het bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde dit besluit en stelde dat appellant met inachtneming van de beperkingen uit de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) in staat was om geschikte functies te vervullen.
In hoger beroep stelde appellant dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn medische beperkingen. De Raad overwoog dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, mede doordat appellant schriftelijk correcties kon aanbrengen op het verslag van de psychiater. De Raad concludeerde dat de belastbaarheid van appellant adequaat was vastgesteld en ondersteund door de FML.
De Raad constateerde echter dat de toelichting op de geschiktheid van de functies waarop de arbeidsongeschiktheidsschatting was gebaseerd, pas in hoger beroep was aangevuld. Hierdoor was het besluit en de uitspraak van de rechtbank in strijd met artikel 7:12, eerste lid, Awb wegens onvoldoende inzichtelijkheid en toetsbaarheid van het arbeidskundig onderzoek. De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit op grond van artikel 8:72, derde lid, Awb in stand. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.
Uitkomst: Het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak worden vernietigd wegens onvoldoende toelichting, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.