ECLI:NL:CRVB:2008:BG4577
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering na beoordeling psychische arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig productiemedewerker, meldde zich in mei 1999 arbeidsongeschikt wegens hoofdpijnklachten en kreeg vanaf mei 2000 een WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Na het overlijden van zijn vrouw in mei 1999 ontstonden psychische klachten. Het UWV trok de uitkering in januari 2002 in wegens het niet nakomen van de inlichtingenplicht, maar heropende de beoordeling na ontvangst van vragenlijsten in april 2003.
De rechtbank benoemde psychiater Kok als deskundige, die concludeerde dat de klachten in april 2003 niet meer het gevolg waren van ziekte of gebrek en dat appellant belastbaar was. Appellant voerde in hoger beroep aan dat Kok onvoldoende rekening hield met wetenschappelijke gegevens over rouwdepressies en onvoldoende informatie had ingewonnen bij de huisarts. De Raad volgde deze kritiek niet en oordeelde dat het rapport van Kok zorgvuldig en overtuigend was gemotiveerd.
De Raad bevestigde het besluit van het UWV dat de WAO-uitkering niet heropend wordt omdat er geen medische grondslag is voor beperkingen in arbeidsgeschiktheid per april 2003. Er werd geen aanleiding gezien om een nieuwe deskundige te benoemen. Ook werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het UWV tot niet-heropening van de WAO-uitkering wegens onvoldoende medische grondslag.