ECLI:NL:CRVB:2008:BG5856
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering teveel betaalde WAO-uitkering wegens anticumulatie
Appellante ontving een WAO-uitkering die over de periode van 1 maart 2002 tot 1 december 2002 onjuist was berekend en te hoog was uitbetaald. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) besloot daarom het te veel betaalde bedrag van €4.167,13 terug te vorderen. Appellante maakte bezwaar tegen dit terugvorderingsbesluit, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard door het Uwv en later bevestigd door de rechtbank.
In hoger beroep stelde appellante dat de terugvordering onjuist was berekend en dat de anticumulatie per maand had moeten plaatsvinden op basis van de daadwerkelijk ontvangen inkomsten, in plaats van een gemiddeld inkomen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat appellante geen rechtsmiddelen had aangewend tegen het eerdere besluit van 17 augustus 2004, waarin de mate van arbeidsongeschiktheid was vastgesteld op 65 tot 80% in plaats van 80 tot 100%. Dit eerdere besluit was daardoor rechtens onaantastbaar geworden.
De Raad stelde vast dat het Uwv op goede gronden het te veel betaalde bedrag terugvorderde, omdat geen dringende redenen waren aangevoerd om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. De stelling van appellante dat de berekening per maand had moeten plaatsvinden, kon niet slagen omdat dit een argument was tegen het eerdere besluit en niet tegen het terugvorderingsbesluit. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van het te veel betaalde bedrag bevestigd.